NEERVALLEN, ZENUWPIJN.

11. Driegesprek

Inmiddels heb ik twee neurologen gezien, een huisarts, een praktijkondersteuner, een osteopaat en de fysiotherapeut. De neuroloog constateert een hernia en heeft een poging gedaan om een EMG te doen, het spier- en zenuwonderzoek maar omdat ik het uitkrijste van de pijn toen ze met de naald in mijn kuit stak is dat onderzoek gestaakt, de huisarts verwijst door naar de praktijkondersteuner omdat ik in het verleden somber ben geweest, de osteopaat zegt dat alles ‘verstopt’ zit al weet ik tot op de dag van vandaag niet wat hij daarmee bedoelde á 90 euro per behandeling en de fysiotherapeut kraakt, masseert en beweegt dat ik met meer pijn naar huis ga dan dat ik kom.

De fysiotherapeut verteld mij ook dat het lijkt op bekkenbodeminstabiliteit en met dat verhaal ga ik terug naar de huisarts. Ik dacht: ‘Krijg je daar pijn van in je been?’ Maar ja, de fysiotherapeut is een deskundig iemand, dus die zal het wel weten. Met een bundeltje andere klachten werd ik naar de gynaecoloog gestuurd.

De gynaecoloog hoort het aan, deelt mee dat bekkenbodeminstabiliteit alleen kan voorkomen tijdens of na een zwangerschap en zegt dat ik gewoon last heb van mijn eisprong. Na vier minuten sta ik buiten, kijkt Pa, die mee is naar het ziekenhuis, mij verbaasd aan en zegt: ‘Dat is snel’, waarop ik antwoord: ‘Ja, de gynaecoloog is dokter dus die zal het wel weten, er is niks aan de hand.’

Omdat ik niet zo goed wist wat ik moest doen wilde ik weer terug naar de huisarts en heb overlegd met de praktijkondersteuner of dat driegesprek nu kon gaan plaatsvinden.

Heel mijn lijf doet inmiddels pijn. Mijn spieren doen pijn, ik laat dingen uit mijn handen vallen, heb van de ene op de andere dag een overgevoeligheid voor licht en geluid en ik ben moe. Zo enorm moe. Doordat ik lichamelijk beperkt word kom ik niet meer buiten. Vriendschappen worden digitale vriendschappen.

Ik zie in die tijd wel wat mensen, ze schrikken. Ik val veel af en het ‘ziek’ zijn tekent mijn gezicht. Ik voel me eenzaam. Enkele opmerkingen zijn dat ik soms niet aanspreekbaar ben, er zo slecht uitzie, dat ze zich zorgen maken, dat het zo niet langer kan. Telkens herhaal ik hoe de medische molen werkt en ik moet wachten. Ik heb wel eens een noodkreet eruit gegooid of iemand mee wilde of kon naar een arts als tweede stem maar dat is lastig. Zo belde ik ooit op een ochtend acht mensen of ze alsjeblieft mee naar de huisarts konden omdat ik te ziek was om te rijden maar niemand kon mee. Mijn nieuwe ervaring werd dat iedereen je wil helpen maar alleen als het ze zelf uitkomt en ze er ook zelf niks voor opzij hoeven te zetten. Ja, ik werd grimmig.

Als het erop aan kwam was alleen Pa er die bijna altijd mee ging. Hij maakte gewoon tijd.

Ik begin in een sociaal isolement te raken en ik ben mij hier erg bewust van. Het feit dat ik alleen woon zonder kinderen, huisdieren of gezellige buren werkt er niet aan mee. Het wordt ook steeds moeilijker om de deur uit te gaan, ik heb geen auto, veel pijn en ik zit zoveel thuis dat alles buiten de deur steeds verder weg lijkt en als ik buiten kom schrik ik van alle impulsen en prikkels die er op mij af komen. Dit is een nieuwe wereld die ik niet ken. Ik ben aan het vervreemden.

Ik vertel dit allemaal in het driegesprek met de huisarts en de praktijkondersteuner. ‘Ik krijg er zo nog een probleem bij zeg ik, ik ken en herken mijzelf niet meer.’

Ik vertel weer opnieuw al mijn lichamelijke klachten, dat het me raar lijkt dat als de oorzaak psychisch zou zijn ik de vraag heb hoe dat dan kan, letterlijk van de een op de andere dag en dat sommige klachten al jaren bestaan en met pieken en dalen soms komen, soms gaan.

Ik vertel dat mijn huidige psyche eraan onderdoor gaat aan het thuis zitten en alleen zijn zonder hulp. Dat dit probleem is ontstaan na mijn fysieke klachten, niet ervoor. Dat dat een gevolg is, geen oorzaak. Dat ik er een probleem bij krijg door het alleen thuiszitten, dat ik geen eten kan maken voor mijzelf door de pijn en soms een hele week brood met pindakaas eet, als ik de dop open kan krijgen tenminste. Ik vertel dat ik geen vat heb op mijn lijf en naar de juiste arts wil om het probleem op te lossen. Ik vertel over dat dit niet psychisch kan zijn, dat ik van dat stigma af wil. Dat dit voelt als iets fysieks. Dat ik mijn lichaam en geest goed genoeg ken. Ik vertel dat ik vaker zulke periodes heb gehad en dat het daarna weer beter gaat met mijn lijf maar dat de periodes dat het niet goed gaat steeds heftiger worden.

De praktijkondersteuner zegt: ‘Het lijken wel ‘sjoep’s’.’ Ik vertel en vertel en ik heb het gevoel dat ik moet vechten voor iets maar ik weet zelf niet wat. Er wordt afgesproken om een multifunctioneel traject te starten, ik zou starten bij de reumatoloog van de Sint Maartenskliniek en bij de internist. Zij zullen het wel weten. Zij zijn tenslotte de dokter.