ZENUWPIJN.

13. Tenderpoint

Foto door Chris F via Pexels

Pa en ik zitten in de wachtkamer van een enorm modern en imposant gebouw. We zijn beide een beetje overdonderd. Nadat we zeer vriendelijk door een dame aan de balie worden ontvangen -’alsof we inchecken bij een hotel’- zeg ik tegen Pa, worden we vriendelijk verzocht plaats te nemen.

‘Heb jij dat ook, zegt Pa, dat als je een arts zo rond ziet lopen dat je dan al gelijk denkt: Dat is een goeie of nee, die liever niet.’ Ja, dat heb ik ook. Nu ik dit boek schrijf weet ik dat deze schijn bijna altijd bedriegt. ‘Mevrouw Jansen?’, klinkt een kindstemmetje door de wachtruimte. Ik kom moeizaam overeind. Een jong meisje neemt mij mee. Ik schat begin twintig. ‘Ik hoop toch niet dat zij mijn dokter is’, denk ik bij mijzelf ‘want dan gaat zij het niet beter weten.’ Maar niets is minder waar. Ze is mijn dokter. Ze stelt zich voor als arts in opleiding.

Les één in ziekenhuisland: Co assistenten en artsen in opleiding worden gebruikt om de intake te doen en de eerste anamnese. Ze staan onder supervisie van de afgestudeerde arts. ‘Zo leren ze beter’ wordt er gezegd. Als patiënt heb je dat maar te accepteren want de supervisor arts zie je echt niet. Nee, ook niet als je huilt en stampvoet. Ik zit tegenover een kind wat bijna mijn dochter had kunnen zijn die mij vragen stelt netjes afgelezen van het beeldscherm van haar computer. Dezelfde vragen als de huisarts, de neuroloog, de internist en zelfs enkele vragen die de praktijkondersteuner ook heeft gesteld. Braaf beantwoord ik deze.

Ik vertel ook hier weer dat mijn klachten zijn begonnen in Brabant. Het wordt genoteerd maar daar worden verder geen vragen over gesteld. Daarna word ik verzocht mezelf uit te kleden voor een lichamelijk onderzoek. Uitkleden kost energie. Om het kind toch een kans te geven het beter te weten, want zij is de arts in opleiding, kleed ik me met veel pijn en moeite uit.

Ze legt iets uit over tenderpoints. Ik heb geen idee wat tenderpoints zijn dus als ze mij verzoekt op de behandelbank plaats te nemen ga ik relaxed zitten. Voor zover dat mogelijk is in de altijd koude kamers in je blote lijf met alleen ondergoed aan. Ook zoiets, in behandelkamers staat altijd de airco aan. Meestal te koud. Is er nu werkelijk geen arts -al dan niet in opleiding of co- die begrijpt dat een airco en spier- en gewrichtsklachten niet zo handig is?

Dan is mij ineens duidelijk wat tenderpoints zijn. Ik voel een vinger in mijn lijf prikken en het lijkt wel alsof ze deze dwars door mij heen wil duwen. Een felle stekende pijn maakt dat ik even een fractie van een seconde niet weet waar ik ben. Ik wil het uitgillen van de pijn. Maar dat doe je niet in de behandelkamer dus ik laat mijn gil imploderen.

Bij tenderpoints drukt de arts dus met zijn/haar vinger op vooraf vastgestelde plekken. Als het dan pijn doet heb je een (tender)punt. Ik kan je vertellen dat er echt nooit meer in mijn leven meer iemand op welk tenderpoint ook gaat drukken. Achttien keer doorstond ik dit geprik. Van de pijn vergat ik mee te tellen. Nadat ze klaar was met haar vinger in mijn lijf duwen was ik zo moe, ik kon niet meer denken, niet meer reageren, ik had het gevoel dat ik flauwviel.

‘U mag zich weer aankleden mevrouw Jansen.’ Het kind verdwijnt achter het gordijn om plaats te nemen achter haar computer. Er werd niet gevraagd of het wel ging, of het aankleden nu wel lukt na de test, hoe ik me voelde. Of ik even tijd nodig had om bij te komen, of ik misschien even tijd nodig had om te liggen. Niks. U mag zich weer aankleden. Dat was de opdracht.

‘Je hebt Fibromyalgie. Je scoort 13 van de 18 points. Ik zal een brief voor de huisarts maken. Bij de balie moet je een afspraak maken met de reuma verpleegkundige’, zegt het kind. ‘Komt er ook een bloedonderzoek?’, vraag ik nog. ‘Nee, antwoord ze stellig met een toon alsof ik een domme vraag stel, Fibromyalgie is niet in het bloed te zien en met de tenderpoint test is vastgesteld dat je Fibromyalgie hebt.’ Ik doe met het laatste beetje energie nog een laatste poging en ik vraag: ‘Maar stel dat ik geen Fibromyalgie heb maar wat anders?’ ‘Daarvoor moet u bij de huisarts zijn. Uw huisarts krijgt van ons een brief hierover. U hoeft niet meer terug te komen. Als u verder vragen heeft kunt u deze stellen aan de reuma verpleegkundige.’ Ik begrijp dat dit het einde van het gesprek is. Pa en ik lopen naar de balie om een afspraak te maken met de reuma verpleegkundige. Ik kan de dag erna al terecht.

De reuma verpleegkundige begint te vertellen over Fibromyalgie dat dat vaak voorkomt bij een bepaalt soort mensen die veel stress hebben en perfectionistisch zijn. Ik zeg tegen haar: ‘Dus het is mijn eigen schuld? En wat weet jij van mijn stress? Dus als men geen fysieke oorzaak kan vinden heb je Fibrolyalgie en dat ligt dan weer aan je karakter?’ Ze kijkt me zichtbaar verward aan. ‘Dit is onderzocht’, zegt ze. Ik merk aan de verpleegkundige dat het beter is om mijn mond te houden. Zeker als ik nog antwoord wil op mijn andere vragen.

Ze begint allemaal websites te openen. Over voeding, over bewegen, over van alles en nog wat. Ik raak overprikkeld van al die flitsende beelden op haar beeldscherm en ik kan het niet meer volgen. Ik probeer weg te kijken van haar beeldscherm. Ik probeer te zeggen dat ze te snel gaat maar mijn mond maakt geen geluid. Ik kijk naar Pa. Pa zegt ook niet veel. Ik deel haar mee dat ik praktische vragen heb zoals: Hoe open ik de deur van de wasmachine of hoe kan ik beter mijn bestek hanteren. Zijn er hulpmiddelen? Ik woon alleen, als iets niet lukt omdat mijn spieren mij in de steek laten of wanneer ik veel pijn heb, hoe doe ik dat met koken, schoonmaken of uit bed komen? Op deze vragen heeft ze geen antwoord op. ‘Ik heb nog nooit iemand deze vragen horen stellen, misschien dat uw huisarts hier antwoord op heeft’, hoor ik haar ergens in de verte zeggen.

Ik vroeg hoe ik hiermee om moest gaan. Ik kreeg als antwoord dat ik kon gaan zwemmen met de reumaclub, Tai Chi zou ook goed zijn. Ik moest zelf thuis op internet maar eens gaan zoeken naar websites want er was veel te vinden deelde ze mee. Dat was niet wat ik bedoelde. Ik voel me bedonderd, belazerd. Ik dacht: ‘Zij is verpleegkundige maar ze weet er echt niks van.’

Pa en ik gaan naar huis. Ik besef me ineens dat ik een diagnose heb. Althans, een soort van- in mijn beleving. Ik ben niet opgelucht, ik ben niet blij. Ik ben in de war. Ik voel dat ik in conflict ben met mijn intuïtie en de gesprekken met de artsen. ‘Het kan nog zo’n mooi gebouw zijn, denk ik bij mijzelf, maar wat schiet je daar nu mee op. Zolang er poep uit de mond van de dokter komt blijft het stinken. En dit zaakje stinkt.’

Ik herken veel klachten die passen in het Fibromyalgie beeld maar er mist een puzzelstukje. Iets klopt er niet. ‘Ik heb een soort van blinde vlek, een zwart gat’, zeg ik tegen een goede vriendin. Ik zie het niet.’ Het voelt alsof ik iets mis in het verhaal. Al mijmerend lig ik achterover in de auto. Pa en ik zijn stil in de auto terug naar huis. De weg van Nijmegen naar huis is lang genoeg om even mijn gedachten te laten varen maar de richting ben ik kwijt.

‘Heb je je nou al eens op Q-koorts laten testen?’, zegt Pa ineens. Daar hadden we het een tijd geleden over maar heb je daar nog wat mee gedaan?

Verward kijk ik hem aan. ‘Nee, nog niet. Ik was eerst hier mee bezig. Anders wordt het zoveel tegelijk. Ik zal me er eens in verdiepen zeg ik om het gesprek te beëindigen. Maar dat lijkt me sterk hoor dat ik dat heb opgelopen. Ik heb nu al zo vaak bloed laten prikken en er komt steeds niks uit.’ ‘Nou ja, kijk maar zegt Pa. Ik bedacht het me zo maar ineens. Nu je toch bezig bent kan je misschien net zo goed dit na laten kijken.’

‘Als het mag van de huisarts’, zeg ik cynisch.