OPSTAAN, ZENUWPIJN.

22. Psychiatrie (deel 1)

bron: ergens gevonden op internet

Het NKCV-traject werd gestaakt. Ik kwam met een hernia bij de huisarts. bleek op een dag O-koorts te hebben gehad en nu betrad ik de wachtkamer van psychiatrie. ‘Hoeveel mensen zouden met een hernia en Q-koorts bij de psychiater belanden?’, zei ik tegen Pa.

De eerste keer dat ik de afdeling psychiatrie binnenkwam belandde ik tegen alle verwachtingen in, in een grote lichte ruimte. Ik had diverse beelden in mijn hoofd over psychiatrische instellingen, overgehouden uit films die je beter niet voor het slapen gaan kan kijken. Dit beeld paste niet in dat filmplaatje. Ondanks het licht is er een ‘sfeertje’. Aan de muur hangt wederom een muurposter. Nu met klaprozen. Wat is dat toch met die muurposters hier? Ik dacht aan een bijgeloof dat zegt: ‘Als men met zulk een bloem in den mond komt te vallen, men het zal besterven’. Als een omen staarde de klaprozen mij aan.

Het voordeel van een wachtkamer bij psychiatrie is dat er nooit iemand naast je gaat zitten. Zonder dat iemand in je aura zit te poeren kan je daar dus rustig mijmeren. Al mijmerend tussen de muurposter en het koffieapparaat in besloot ik om hier ‘alles’ te vertellen. Alles. Zonder filter. Open en eerlijk. Als er dan een psychisch iets zou zijn dan moest het er nu maar uitkomen.

Tijdens de intake, een gesprek met een psychiater, werd mij gelijk medegedeeld dat er geen aanwijzingen zijn voor manisch depressiviteit (nee, natuurlijk waren daar geen aanwijzingen voor maar dat ik niet werd geloofd en dat ik hier zat om dat bevestigd te krijgen was bijna science fiction) maar ze wilde wel verder testen. De eerste hobbel was uit de weg. Weer een streep door een stigma: manisch depressief. Op het voorstel om verder te testen stemde ik toe. Ik wilde nu door alle stickertjes een streep. Kost wat kost. Ik was volledig op stoom nu. Ik leefde op razernij en intense woede en ik moest en zou mijn doel bereiken: er is psychisch niks mis met mij en al helemaal geen verklaring voor mijn klachten.

Psychiatrisch onderzoek (bij intakegesprek):

Het betreft een 40 jarige vrouw, leeftijd conform kalenderleeftijd, goed verzorgd. Maakt vriendelijk contact, goed oogcontact en is coöperatief in gesprek. Is samen met haar stiefvader gekomen, (…). Cognitieve functies: helder bewustzijn, aandacht te trekken en te behouden. Oriëntatie in trias intact. Geheugen niet getest, imponeert intact. Geschatte intelligentie gemiddeld. Ziekte-inzicht ongestoord. Geen aanwijzingen voor waarnemingsstoornissen, hallucinatoir gedrag/hallucinaties. Formele denken: normaal van tempo en coherent. (…) Inhoudelijk: normaal, geen aanwijzingen voor wanen/waanachtige denkbeelden. Geen aanwijzingen voor preoccupaties. Affectieve functies: stemming: neutraal, met een normaal modulerend affect. (…) Conatieve functies: normale psychomotoriek, mimiek/gestiek ongestoord, spraak: normaal.

Om de week reden we, Pa en ik, naar het Radboud UMC, ingang Oost. Pa zei in die tijd: ‘Ik denk dat jij gewoon een soort van identiteitscrisis hebt.’ ‘Ja Pa, ik denk het ook maar straks heb ik dit gehad. Ik moet bewijzen dat het niet tussen mijn oren zit.’

Ik heb ongeveer 2000 vragen gehad (minstens) middels vragenlijsten, de gesprekken niet meegeteld. Ik heb tekeningen moeten analyseren, opnieuw vragen beantwoord in gesprekken, ik ben getest op alle stoornissen die ze op dat moment konden bedenken. Ik heb blokjes moeten leggen als een kleuter, getallenreeksen achterste voren op moeten noemen, nog meer vragen en vragenlijsten ingevuld, antwoord moeten geven op vragen als of ik wel eens dingen zie en hoor die er niet zijn, of ik denk dat niet alles echt is, of ik het leuk vind om een deurklink in elkaar te zetten (echt gebeurd), nog meer gesprekken moeten voeren over mijn jeugd, er werd doorgevraagd over angsten en gebeurtenissen uit het verleden waarvan ik zelf niet meer goed wist of ze gebeurd waren.

Ik raakte in de war hiervan. Van al die testen, van al die vragen. Wat was dit zwaar. Het hele traject bestond uit testen en gesprekken. Dit gooien ze zo door elkaar dat je op een gegeven moment zelf niet meer weet hoeveel vingers en tenen je hebt. Tegelijkertijd groeide er een oerkracht die ik nu nog voel terwijl ik dit schrijf. Deze oerkracht heeft zich zo vastgezet en verankerd en mij voor het leven veranderd.

Op een middag kreeg ik de WAIS test. Een wicht (de psychologe) wat vanuit mijn perspectief gezien net uit de luiers was gekropen, moest deze test afnemen. Met een uitdrukkingsloos smoelwerk en monotoon stemmetje ging ze mij vertellen wat ik moest doen. Eenieder die mij enigszins kent weet dat het nu al gedoemd was te mislukken.

Ik kreeg vragen als: Hoe wordt de maan verlicht? Ik antwoorde: ‘Door de zon.’ De psychologe vroeg of ik daar wat meer over kon vertellen. ‘Nee’, zei ik, ‘dat was de vraag niet. De vraag was, hoe wordt de maan verlicht. Het antwoord is: Door de zon dus wat moet ik daar meer over vertellen?’ Het gevolg is dus dat je niet meewerkt en dat wordt uiteraard genoteerd. Ondanks dat vooraf wordt gezegd dat er geen goed of fout is wordt aan de hand van je antwoord (en of je er meer over kan vertellen) wel je IQ bepaald.

Ik mocht pauze houden als ik wilde. Toen ik de vraag kreeg: ‘Wat is de overeenkomst tussen een boom en een vlieg?’ werd het hoog tijd om naar buiten te gaan. Ik heb in deze zelf genomen pauze een vriendin gebeld, gierend van de lach, en gezegd: ‘Ze zijn hier gek.’ Mijn vriendin wist gelukkig ook niet de overeenkomst tussen een boom en een vlieg.

Een onderdeel van de WAIS test is een plaatje analyseren. ‘Wat valt je als eerste op?”, vroeg de psychologe. ‘Euh…dat het heel slecht getekend is.’ Ik zag haar gezicht en dacht: ‘Oei, dat was het verkeerde antwoord.’ Maar ik was niet te stoppen. Mijn lieve hemel. Ik legde haar netjes uit dat ik zelf schilder en teken en dus visueel ben ingesteld en dat ik daarom antwoord dat het slechte tekenwerk mij als eerste opvalt. Haar blik sprak boekdelen en dat ik niet ter plekke neerviel door haar staarwerk is een wonder.

Soms belde ik een vriendin om de gekte van psychiatrie te beschrijven en ik zei: ‘Als je al niet gek bent word je het hier vanzelf.’ Dit alles heeft een kleine 4 a 5 maanden geduurd. Niet veel mensen wisten van bovenstaande want de schaamte was erg groot.

Het oordeel van psychiatrie: Mijn IQ is gemiddeld maar ik ben wel bovenmatig snel, de testen spraken elkaar op veel punten tegen. Een antwoord hadden ze niet. Het eindoordeel was: ‘We denken dat je een identiteitscrisis hebt.’

Deze zin was zo ontnuchterend als koffie tijdens een kater. ‘Ik had hier dus helemaal niet hoeven komen want dat zegt mijn vader al een hele tijd zoals mijn vader met wel meer dingen gelijk heeft gehad.’ Pa en ik liepen naar buiten en hij vroeg: ‘En?’ ‘Zoals jij al zei Pa, volgens hun heb ik een identiteitscrisis.’ Pa keek me verbaasd aan en we hebben best ongepast hard gelachen.

Ondanks alles heb ik op deze lugubere afdeling veel geleerd.