OPSTAAN, ZENUWPIJN.

23. Psychiatrie (deel 2) einde.

bron: Pinterest

Ondanks alles heb ik op deze lugubere afdeling veel geleerd. Vooral tijdens de gesprekken. Ik heb geleerd hoe er gemanipuleerd wordt, hoe slecht (vind ik) al die testen in elkaar zitten, ik leerde dat je heel erg goed op ieder woord moest letten. Dat als je niet oplet je op deze afdeling knettergek gemaakt kan worden. Dat het een intense kracht vergt om opgewassen te zijn tegen dit onzichtbare geweld. Dat alles tegen je gebruikt wordt of in ieder geval zo omgedraaid wordt dat het sowieso aan jou ligt.

Ik kan uit de grond van mijn hart zeggen dat ik overal zuiver en eerlijk op heb geantwoord. De psycholoog vroeg halverwege het traject een keer of ik wel eens stemmen hoor. Ik legde haar uit dat mijn ouders beide ‘zieners’ zijn. Dat ik vervloekt en gezegend ben met een deel van hen. Ik legde het haar verkeerd uit, kom niet uit mijn woorden en ze vraagt door.

In de psychiatrie wordt al snel de term ‘magisch denken’ genoemd. In mijn wereld heet het anders: Ongevraagde paranormale poep doorgegeven via DNA (of zoiets) waar ik niet om gevraagd heb. Ik wist dat ik op dat moment niks meer moest zeggen. Dit is het meest gevaarlijke punt wat ik daar bereikte. Als mensen in God geloven, iemand die onzichtbaar is, maar wel tegen hem praten en God tot hen hoort praten dan is dat volledig acceptabel. En dat is wat ze daar doen. Ze zoeken net zo lang bij jou tot je ergens iets zegt waar een stoornis aan gehangen kan worden. Het grenst aan mishandeling.

Meerdere malen gaf ik aan dat ik een kunstenaarspersoonlijkheid heb, ook ongevraagd via mijn ouders overgedragen. Ze deden net alsof ze daar nog nooit van gehoord hadden. Ook al kon ik het onderbouwen en nam ik de papieren mee waarbij dat ooit uit een officiële test was gekomen (vanwege een re-integratietraject om toentertijd te kijken welk werk er bij er zou passen, dat bleek niet veel te zijn).

Maar ik was in ieder geval niet manisch depressief, ik had en heb geen persoonlijkheidsstoornis, er is geen psychische oorzaak voor mijn pijn. Zenuwpijn. Want dat was waarvoor IK daar kwam. Ik was kapot maar mijn doel was bereikt en beter nog: Ik had gelijk. De klaprozen waren een omen. Elke keer dat ik plaats nam in de wachtkamer voor een test, een vragenlijst, een gesprek, een uitslag stierf ik beetje bij beetje. Ik was daar uitgekleed tot op het bot. Maar ik had hier vrijwillig aan meegewerkt. Ik voelde me gemanipuleerd. Ik voelde me besmeurd.

Dit hele traject is ongelofelijk zwaar geweest. Er werd gegraven op plekken in mijn ziel die ik zelf niet kende. Ik ben horizontaal, verticaal, diagonaal en op alle andere mogelijke wijzen doorgelicht en dat vraagt alles van jezelf. En na dit traject was er niks meer over.

Wie ben je als je er niks meer is? Het antwoord is: Op zijn sterkst. De angst verdwijnt. En dat geeft een ongelofelijke vrijheid. Ik was alles kwijt maar ik had mijzelf gevonden! Dit had het traject gebracht: Mezelf. Mijn pure naakte zelf. Mijn lijf was een wrak maar psychisch voelde ik dat ik door dit traject zo sterk was geworden dat niks mij ooit meer zou breken.

Ze adviseerde om naar een structuurgroep waar ik psychotherapie zou krijgen voor de identiteitscrisis.  Bij de structuurgroep intake heb ik het beste gesprek aller tijden gehad. Eigenlijk ging ik erheen om netjes te melden dat ik dit ging afsluiten, voor altijd en eeuwig en ook waarom. Ik kwam binnen en tegenover mij zaten twee dames. Het leken wel twee lieve tantes. Van die petemoei ‘s uit een sprookje.

Ze stelde heel simpel: ‘Door je fysieke beperking ben je in korte tijd veel kwijtgeraakt. Wij vinden niet dat je in de structuurgroep hoort. Eigenlijk begrijpen we ook niet waarom je hier zit. Je hebt een enorm zwaar traject achter de rug maar wij denken dat je het wel redt.’ Ze deden zelfs een beetje lacherig over het advies van psychiatrie. Alsof ze de draak staken met die afdeling. De manier waarop ze spraken was zo liefdevol en oprecht. Dit waren mijn beschermers die de lang verwachtte zin uitspraken: ‘Je hoort hier niet en jij red het wel.’ En dat was voor een omslagpunt.

Ik zou nooit meer aan mezelf twijfelen. Nooit meer. Waar ik in het verleden nog veel vragen had ook waarom ik ben zoals ik ben voelde het alsof ik nu alle antwoorden heb. En dat is dat er geen antwoorden zijn. Ik ben wie ik ben en ik ben er blij mee. Op een goede dag kom je ter wereld. Bij een of twee ouders of verzorgers, in een dorp of stad, bij een familie die al een geschiedenis achter zich heeft en waarbij de psycho genetica gewoon net als wifi door de lucht gaat en ergens wordt doorgegeven waar we het niet kunnen meten zoals DNA.

Dat nieuwe gezin, alles is al vooraf bepaald. Je groeit op in een huis, in een straat, je wereld wordt groter, je opvoeders imiteer je onbewust want zo is het door de natuur bepaald. Het DNA, je genen, psycho genetica, alles bepaald wie je bent. Elke ervaring zit ergens opgeslagen in je lijf, in een cel. En je kan er niks mee. Enkel aanvaarden.

Ik wist nu wat me te doen stond. Ineens was alles zo helder en klaar als een klontje (of een hernia). Dit boek ging voor eeuwig dicht. Wat ik vergat is dat de klap en het effect van dit hele traject pas later kwam.