OPSTAAN, ZENUWPIJN.

25. Macaroni en nasi

Foto door Oleg Magni via Pexels

Maandag 8 Oktober 2021. Ondanks alle eerdere hoofdstukken, die al jaren geleden zijn geschreven, merk ik dat ik altijd verstar bij het herschrijven van dit en de komende hoofdstukken. Waarom weet ik niet. Om diezelfde reden ben ik al zes jaar bezig hier een boek van te maken maar ik blijf altijd op 1 punt in de tijd vastzitten. Misschien omdat ik in die tijd het meest bedrogen ben door mijn lijf? Of omdat ik er achteraf achter kwam hoe enorm ingewikkeld en complex Q-koorts is en hoe bedonderd ik me heb gevoeld en nog voel door bepaalde elementen uit de (medische) wereld hierover? Komt het door de depressie van toen? De eenzaamheid? Ik weet het echt niet. Of komt het doordat ik voor mijn gevoel niet de juiste woorden kan vinden om alles te beschrijven?

Hoe leg je uit, in geschreven woorden, hoe het voelt als je geopereerd bent, snakt naar menselijk contact, de deur uit wilt maar te afhankelijk bent, en je hoort achteraf dat heel je familie sinterklaas heeft gevierd, iedereen was er, alleen was ik niet uitgenodigd. Hoe omschrijf je het gevoel dat wanneer je je verdriet uitspreekt naar je familie en je niet begrepen wordt en reacties terugkrijgt waar helaas niemand zich voor schaamt. ‘Je kan toch nog niet zo lang zitten? Je bent toch nog aan het herstellen? Het leek ons niet zo’n goed idee om jou ook uit te nodigen. En we hoeven toch niet altijd met zijn allen te zijn? Jij gaat toch ook wel eens alleen naar die en die?’ Zeg het maar, welke woorden zijn goed genoeg, boek waardig? Geen. Schaamteloos.

September 2015. Hetzelfde ritueel als in 2013 herhaalt zich. Ik kan nauwelijks lopen en ga weer naar de huisarts. Nu is het genoeg. Ik eis van hem dat ik een doorverwijzing krijg voor een privékliniek gespecialiseerd in rugproblemen. Mijn huisarts kijkt mij aan en zegt: ‘Je zegt elke keer wat anders. Hoeveel artsen zijn er nu al met jou bezig geweest?’

Ik kijk hem volledig flabbergasted aan maar ik hou me sterk: ‘Nee, de artsen zeggen elke keer wat anders. De eerste neuroloog zegt dat de herniapijn vanzelf over gaat, de tweede neuroloog stuurt me door naar de neurochirurg en het NKCV, de neurochirurg die wil wel snijden maar met garantie tot aan de deur, het NKCV zegt na een paar gesprekken dat ik manisch depressief ben, sturen mij door naar psychiatrie die een identiteitscrisis constateren, ondertussen is er nog even op Q-koorts geprikt maar dat kan volgens de Q-internist geen oorzaak zijn om over de rest nog maar te zwijgen. En ik vertel steeds hetzelfde verhaal dus wie is er nu inconsequent?’

Het is alsof ik het ineens allemaal helder zie. Ik moet nu sterk zijn, voor mijzelf opkomen en mij niet meer van de wijs laten brengen. Na een lange discussie krijg ik de doorverwijzing. De huisarts wil wel nog vermelden dat als hij mij tegengas geeft, ik dan mijn hakken in het zand zet. Ik zeg: ‘Nee, ik kom voor mijzelf op, dat is heel wat anders.’

En zo zit ik voor de tweede keer bij de privékliniek tegenover dokter D. ‘Ik heb u een paar jaar geleden gezien in 2013’, zegt dokter D. ‘Toen wilde u graag een second opinion en nu treffen we elkaar weer.’ Hij buigt zich over de papieren. ‘Ik zie dat u een traject bij psychiatrie hebt gevolgd? Tenminste, dat heeft uw huisarts meegestuurd. Ik weet niet waarom maar ik moet het toch benoemen.’

Dokter D laat zich niet snel gek maken () en legt uit waarom hij dit ter sprake brengt. Hij zegt dat psychische klachten het herstel van een operatie in de weg kunnen staan. Dat snap ik wel. Ik wil alleen maar van de zenuwpijn af. Voor het eerst heb ik wel het gevoel dat een arts mij serieus neemt. Hij luistert goed, geeft antwoord en legt uit. Dokter D is niet zo onder de indruk van al het psychische. Er wordt een nieuwe MRI gemaakt. Dokter D zegt dat de hernia heeft zich de afgelopen twee jaar dusdanig heeft ontwikkeld dat een operatie wel aan te raden is.

Ik wil er nog even over nadenken. Ik weet niet of ik het aankan. Weer een operatie, weer herstellen. Ik krijg alle tijd van dokter D. Tijd die ik hard nodig heb. Ik moet even ademhalen.

19 November 2015 word ik geopereerd. Pa brengt mij weg. Met mijn logeer tasje sta ik in de kamer bibberend van de kou en de spanning. Er komt al snel een verpleegkundige. Ze begint heel rustig uit te leggen wat er allemaal gaat gebeuren. ‘Ga maar lekker op bed liggen’, zegt ze. Geëmotioneerd over de oprechte zorgzaamheid doe ik gelijk wat ze zegt. Na de uitleg laat ze me even alleen.

Ik adem in, uit. Ik heb al een dormicum gekregen en laat me wegglijden in de roes. Dan word ik opgehaald voor de OK. Ik huil. Ik laat alles los en geef me over. De anesthesisten en de verpleegkundige hebben geduld. Ik krijg een aai over mijn bol en kalmerende woorden. De operatie slaagt. Als ik uit narcose kom voel ik geen pijn. De zenuwpijn is verdwenen. Althans, die in mijn benen. Vrij snel mag ik uit bed en stukjes lopen. Ik kan het bijna niet geloven. Ik kan weer lopen! Ik loop de hele nacht, met rustpauzes, over de gangen van de kliniek. Alsof ik mijzelf er keer op keer van moet overtuigen dat de pijn weg is. Zelfs de napijn van de operatie voel ik niet. Ik voel niks meer. Het is stil in mijn hoofd.

De dag na de operatie mag ik naar huis. Pa komt mij ophalen. Thuis plof ik op bed, uitgeput, opgelucht, ik weet niet wat ik allemaal moet voelen. Ik heb geen zenuwpijn meer maar het opstaan voelt zwaar. Alsof er lood aan mijn stuitje hangt. Dat dit herstel trager gaat dan de eerste HNP operatie is duidelijk voelbaar en overvalt me. Ik krijg bakjes eten van mensen die ik op kan warmen in de magnetron, alleen maakt iedereen macaroni en nasi. Ik at weken macaroni en nasi. Maar ik was dankbaar (dit is deels een leugen ).

Bak in de magnetron. Wachten op ting. Bak onder de neus en al drentelend eten omdat ik nog geen maaltijd lang op een stoel kan zitten.

Ik hou me aan het herstelschema van de kliniek, ik lig, ik loop en ik huil. Het herstel is zwaar en traag. Maar ik had 1 probleem opgelost. De hernia was weg. Nu kon ik met die Q-koorts aan de slag.