ZENUWPIJN.

5. 2006 NEERVALLEN

©Eigen foto Rotterdam Kralingen 'De Esch'

‘NEERVALLEN’

Een verhaal is in zekere zin niet van deze wereld. Voor een echt verhaal is een magisch ritueel nodig om deze en gene zijde te verbinden.

Er moet bloed vloeien.

Uit: Spoetnikliefde – Haruki Murakami

Het zou nog tien jaar duren voordat ik jou zou leren kennen mijn lief. Wij vielen pas in het laatste staartje van die jaren elkaars leven binnen. In die tien jaar zit een bijna een heel leven aan ervaring gepropt. Jij weet van mijn operaties. Ik vertel wat ik kwijt wil maar over het meeste zwijg ik. Ik wil je beschermen tegen de emoties al krijg jij er ongewild toch regelmatig mee te maken wanneer. In het dagelijks leven kan ik nooit een geheim bewaren. Ik zie je nu glimlachen.

Dit boek is niet zozeer als een geheim, het heeft enkel gewacht in een eigen doosje. Waarom schrijf ik dit boek, deze hoofdstukken voor jou, aan jou? Omdat ik ze dan met liefde kan schrijven. Anders wordt deze pil te bitter en onleesbaar. Alles wat ik niet hardop kan uitspreken heb ik opgeschreven. Als ik erover moet praten wordt de pijn voelbaar en tastbaar. En dat wil ik niet meer. Nooit meer. Ongeacht dat ik weet dat jij altijd geduldig zou luisteren.

Moeizaam kom ik uit de houten wachtkamerstoel van het Bernhove ziekenhuis in Oss. Het is december 2006. De stem die mij ergens vanuit de verte roept is uit het zicht verdwenen dus ik loop maar de ruimte in waar de deur open staat. Gokje. Goed gegokt want binnen staat een grote man die zo autoritair uit zijn ogen kijkt alsof hij bang is dat iemand zijn status elk moment van hem af kan pakken. Paradoxaal genoeg krijg ik een slap handje. De neuroloog stelt zich voor en verzoekt mij plaats te nemen. Artsen, dokters of anderzijds medisch specialisten geven altijd een slap handje, alsof ze het vies vinden om je aan te raken.

De neuroloog steekt direct van wal. Hij benoemt kijkend, vanaf zijn computerscherm, dat ik enige tijd rugklachten heb en het verzoek van de huisarts heeft gekregen om te kijken of er sprake kan zijn van een hernia. Hij stelt voor om wat testen te doen. Ik heb nog geen woord gezegd maar hij is de dokter dus hij zal het wel weten. Terwijl ik me uitkleed vertel ik hem dat ik vandaag geen pijn heb. Hij reageert hier niet op en zegt enkel en alleen: ‘Gaat u hier maar staan’, terwijl hij met datzelfde slappe handje de plek aan wijst.

Ik probeer ondertussen te vertellen dat ik regelmatig in een hoek van 45 graden loop omdat ik niet rechtop kan staan of in de meest vreemde houdingen ‘s avonds op de bank lig om die verrekte pijn weg te kunnen krijgen maar dat hoorde schijnaar niet in de test.

De neuroloog laat mij op mijn tenen lopen, de reflexen worden getest, ik moet voor- en achteroverbuigen (erg gênant als je in je ondergoed staat maar daar houdt niemand rekening mee). Ik werd verzocht op zo’n harde tafel te gaan liggen. Zo’n gevaarte dat altijd te hoog of te laag staat en waarvan het papier voor de schijnbare hygiëne gelijk scheurt, verschuift of andere hele rare dingen gaat doen. Liggend worden mijn benen de lucht in gebracht, de neuroloog duwt tegen mijn voetzolen terwijl ik moet terugduwen. Er worden vragen gesteld als: ‘Doet het zeer met druk zetten zoals hoesten, niezen of naar de wc gaan?’ Het antwoord is nee, nee en nee en ik doorsta de test moeiteloos. Geslaagd met vlag en wimpel.

‘Zenuwpijn is de ergste pijn die er is, zegt de neuroloog. Ik denk alleen niet dat u een hernia heeft want anders zou u weten wat zenuwpijn is mevrouw Jansen en u heeft nu geen pijn maar voor de zekerheid maken we een MRI. Ik weet bijna zeker dat er niks uit komt want ik zie geen aanwijzingen voor een hernia maar ik wil het uitsluiten. U kunt bij de balie gelijk een afspraak maken voor de MRI en voor de uitslag.’

Ik had nog nooit van zenuwpijn gehoord dus ik kon onmogelijk weten hoe de pijn die ik al zo lang had heette. De tranen springen in mijn ogen. Wat zegt hij nou? Ik heb geen pijn? Hernia? Ik bedwing snel mijn emoties, zoals ik dat gewent ben, geef de man een hand en loop naar de balie met de mededeling dat ik een MRI-afspraak moet maken en een vervolgafspraak. Op de automatische piloot loop ik het ziekenhuis uit. Buiten laat ik me op het eerste het beste bankje neervallen. Met trillende handen steek ik een sigaret aan en haal een paar keer diep adem. Het duurt ruim een half uur voordat ik wat rustiger word. Daarna stap ik in de auto, terug naar mijn werk. Plicht roept.

Een week later heb ik mijn eerste MRI. Ik heb geen idee wat me te wachten staat. Ik ben niet claustrofobisch zoals ik op de vragenlijst moest invullen voorafgaand aan de MRI maar op het moment dat ze mij de eerste keer die nauwe tunnel inschoven schreeuwde ik: ‘Haal me eruit, haal me eruit!’ Niemand schrok van mijn reactie. Een vrouw zei rustig tegen mij: ‘Mevrouw Jansen, sluit uw ogen maar, dan vertel ik u als u helemaal in de scan ligt, aan het einde is het open.’ Ik deed wat ze me vertelde, sloot mijn ogen en ging zonder problemen de scan tegemoet. Een kwartier later werd ik eruit gehaald en was het klaar.

Twee weken na het maken van de MRI keerde ik terug naar het ziekenhuis voor de uitslag. Ik nam plaats in dezelfde wachtkamer op dezelfde houten stoel. Wederom te vroeg zodat ik even mijn momentje kon pakken. Weer klonk uit een kamer mijn naam en liep ik daar naar binnen waar de deur open stond, gaf een hand, uit frustratie gaf ik een extra knijpje en nam plaats. De neuroloog stak gelijk van wal.

‘Mevrouw Jansen, u heeft een zeer grote hernia en deze moeten wij met spoed opereren anders raakt u in een rolstoel. Uw zenuwbaan is bijna helemaal afgekneld, u moet enorme pijn lijden.’

‘Ja’, zei ik, ‘dat doe ik ook maar u zei de vorige keer dat ik geen pijn had, althans, dat kon u niet zien.’  De neuroloog blikt nog bloost en vervolgd stoïcijns zijn verhaal. Hij legt uit wat een hernia is maar ik volg hem niet meer. ‘En als ik me niet laat opereren?’ opper ik nog stoer.

‘Als u zich niet laat opereren mevrouw Jansen dan raken de zenuwen dusdanig beschadigd dat u in een rolstoel kunt belanden. De orthopeed gaat u opereren, u kunt bij de balie alles doorgeven zodat we gelijk alles in werking kunnen zetten.’

Ik heb dus gelijk. En ik loop hier al zo lang mee. Wat zei de fysiotherapeut toen ik elf jaar was? Mijn rug was vergroeid in een scheve houding. Als elf jarige met enorme schaamte voor haar lijf, daar helpt geen fysiotherapie tegen. Ik wilde kapster worden, mijn vader was kapper, had een eigen salon, zo’n ouderwetse barbieren salon, en herenkapper worden dat was mijn droom, mijn vader opvolgen. De fysiotherapeut zei: ‘Als jij kapster wordt zit je met je veertigste in een rolstoel met jouw rug.’

Die fysiotherapeut had toen dus mooi gelijk. Bijna dan. Die rolstoel kwam. Net als de scootmobiel en de rollator. Inderdaad rond mijn veertigste maar dat wist ik toen in 2007 nog niet. Toen was ik pas 33.

In gedachte ging ik terug. Hoe lang liep ik al met pijn? Er was een second opinion voor nodig omdat de huisarts in Herpen mij maandenlang niet geloofde en in mijn ogen voor zijn patiënt één diagnose had: Stress. De neuroloog wilde dat ik voor kerst geopereerd zou worden, zo spoedig mogelijk maar ik moest dit even verwerken. Dit zou mijn eerste kerst zijn zonder mijn ex en om dan ook nog geopereerd te zijn of misschien zelfs in het ziekenhuis te liggen kon ik niet aan.

Op dezelfde automatische piloot besprak ik dit bij de balie. Ik kon 2 januari bellen voor het maken van een operatie afspraak. Dat deed ik. Op dezelfde dag hoorde ik tijdens een zogenaamd exitgesprek op mijn werk dat mijn contract niet verlengd zou worden. 7 Januari 2007 lag ik in het ziekenhuis voor mijn eerste herniaoperatie. Ik was gescheiden, werkeloos en geopereerd. Hoeveel tranen heb ik gehuild. Hoe vaak kroop ik door het huis of liet ik me gewoon vallen? Ik weet het niet meer.

Na mijn herniaoperatie herstel ik traag. Ik blijf veel pijn houden. Ik moet veel wandelen zeggen de huisarts, de fysiotherapeut en de orthopeed. ‘Bewegen mevrouw, Jansen, u moet veel wandelen’, hoor ik de orthopeed tijdens de controle zeggen. ‘Vroeger lieten we de patiënten zes weken platliggen maar nu moet u lopen. Veel bewegen.’ Twee weken na mijn operatie ga ik naar de fysiotherapeut. Ze vraagt of ze mijn litteken mag bekijken. ‘Jeetje, dat is een flinke jaap geweest, meestal zijn ze niet zo groot.’ Ze voelt aan mijn rug en ik begin als een dier te huilen. De pijn zoemt door mijn lichaam. ‘Sorry’, zeg ik, het doet zo’n pijn.’

‘Als je in dit land topsporter of militair bent dan had dit nooit zo lang geduurd,’ zegt de fysiotherapeut. Dagelijks wandel ik langs de weilanden in Herpen en Ravenstein. Langs de koeien, de schapen, de geiten de graslanden, langs de eindeloze leegte, een gevangenis zonder muren. Ik loop en ik loop. Mijn pijn gaat niet weg. Ik loop tot ik niet meer kan. Ik herstel niet. Totdat ik een jaar later in een revalidatie terecht kon.

Achteraf blijkt dat in deze periode Q-koorts de kop op heeft gestoken. Maar niemand legde een link met de vermoeidheid die ik al een jaar had, de twintig kilo die ik in een te korte tijd af was gevallen en de ontstekingen. Alles staat in mijn dossier maar de pech wil dat ik eind 2007 naar Rotterdam ben verhuisd. Daar waar de schapen voor mijn deur graasde. Daar waar de schapenherder vreemd genoeg overleed. Daar waar ik het meest ziek ben geworden. Maar een revalidatietraject moest helpen. En zo begon de ellende mijn lief.