ZENUWPIJN.

7.1 2013 een zomerdag in juli DEEL 1

Foto door Maxim Kovalev via Pexels

Herinneringen. Ik vind ze vreselijk. Gebeurtenissen die ineens -als een vals duveltje uit een doosje- langskomen. Meestal onverwacht, soms vooraf netjes aangekondigd. Deze momenten kunnen de dag maken en/of breken.

De heftigheid van mijn herinneringen is in een ver verleden benoemd als PTSS. Ik bezocht een psycholoog die mijn hulpvraag (waarom ben ik zoals ik ben?) niet begreep. Met mijn angst voor opgeplakte labels liep ik hard weg bij deze psycholoog. Ze wilde wel EMDR-en, alleen heb ik mijn emotie nodig, het is mijn drijvende kracht. Waarom zou ik iets ontkennen, mijn emoties af laten vlakken door middel van tikjes door een koptelefoon? Nee, ik wil het doorleven, voelen, tot de bodem gaan, verdrinken en vanzelf weer boven komen drijven om daarna een diepe ademteug te nemen en opnieuw te beginnen. Ik ben niet iemand die snel ergens voor wegloopt. Nee gewoon BAM, de confrontatie in. Helaas bleef het psychologenbezoek als ducktape aan me vastkleven.

Ik heb verschillende soorten herinneringen. Misschien wel drie of vier of nog vele meer maar om het overzichtelijk te houden is drie makkelijker: 1. Herinneringen van hoe iets heeft gevoeld. 2. Hoe ze werkelijk zijn gebeurd en 3. Hoe ik denk het echt is gegaan. Onlangs zei iemand nog tegen mij: “Het gaat in je hoofd een eigen leven leiden.” Door zulke uitspraken lijkt het net alsof dat ‘het’ aan mij ligt. Alsof. Alsof de verzender van deze boodschap géén eigen herinnering(en) heeft.

Altijd, overal, iedereen, ik overdrijf graag omdat deze woorden uiting geven aan mijn gevoel. Dat overdrijven is ontstaan doordat ik niet zo goed gehoord wordt. Dit heeft meerdere oorzaken en omdat ik ook nog eens niet zo’n hard stemgeluid heb ben ik in woorden kracht bij gaan zetten. Hier is dus geen label voor, het is misschien meer een coping. Verdomme, nu ga ik het zelf labelen. Sukkel. Hierdoor kom ik bijna altijd anders over dan ik ben. Het is ook nooit goed. En het enige wat ik wil is gewoon gehoord worden. Of ik nou praat over boodschappen doen of over het weer of wat dan ook. Hoor mij!

Afijn. In werkelijkheid wring ik herinneringen uit als een natte handdoek zodat alleen mijn rauwe, pure emotie overblijft. Dat maakt dat 1. De ene soort herinnering van mijzelf is. 2. De ander die zoals men graag wil dat bijvoorbeeld dit verhaal verteld wordt. Wat zou dat geweldig zijn als ik zou leven volgens andermans herinnering. Wat zou ‘men’ dan blij zijn. Maar zo leef ik niet. Niet meer. Ik leef nu mijn eigen herinnering. En daarmee ben ik gevallen. Letterlijk.

Ik val op een zomerdag in juli. Een maandagochtend om precies te zijn. Ik was blij dat ik naar mijn werk kon want de weersvoorspelling gaf aan dat het 30 graden zou worden. Bloedverziekende hitte. Mijn huis staart op het zuiden en heeft een plat dak. Op mijn werk kan ik tenminste in de airco zitten. Het plezier van de airco wint het van de ellende die ik ervan krijg. Zolang ik maar niet thuis hoef te zijn. Vandaag niet in ieder geval. Ik sta om zes uur op. Deze tijd heb ik nodig. Tegenwoordig lig ik om half negen ’s avonds in bed, soms blijf ik op. Dan ga ik om negen uur naar bed. Ik ben moe. Zo moe. Ik weet niet waarvan, ik weet alleen dat ik door moet. Werken. Hitte.

Die verdomde airco. Gek word ik van het gebrom en gezoem van het installatiesysteem boven mijn hoofd. De koude lucht die vanaf mijn hoofd, via mijn nek naar beneden blaast. Ik kan er niet tegen. Al die geluiden, het voor anderen onzichtbare knipperende en trillende tl licht, de geur van de airco. Liever zet ik gewoon een raam open, van buitenlucht die naar binnenwaait krijg ik geen stijve nek.

Na dat op deze maandagochtend de wekker is gegaan sta ik op. Ik zit op de rand van het bed en het kost me moeite om overeind te komen. Elke motivatie ontbreekt. Ik kijk naar rechts en zie een hoopje kleding liggen. Een dag van tevoren leg ik altijd mijn werkkleding klaar. Die vreselijk truttige stukken stof aan mijn lijf. Elke dag jeukende make-up op mijn gezicht. Een bos haar die ik nooit onder controle krijg. Recent had ik het in een keer kort laten knippen. Alsof dat hielp. Ik sta op, zet koffie, doe de laptop aan en ga met een zucht zitten. Na de gebruikelijke drie bakken koffie en dezelfde hoeveelheid sigaretten ga ik douchen. Het water doet pijn op mijn hoofd en mijn huid.

Even is het zwart en wil ik een stukje van de film terugspoelen maar de gebeurtenis ging te snel. Ik wil uit reflex opstaan. Hoe ben ik hier op de grond beland? Opstaan gaat niet en ik schreeuw het uit. Mijn benen weigeren mee te werken. Duizend gedachten flitsen tegelijkertijd door mijn hoofd. Paniek. “Ik moet opstaan, ik moet kleding aan, ik moet mijn telefoon zien te vinden, waar is mijn telefoon, ik moet iemand bellen, ik moet liggen, waar is mijn handdoek, wat is er gebeurd, waarom kan ik niet opstaan?”

Pijnscheuten gaan door mijn lijf. Messteken. Ik ben sterk, ik ben altijd al sterk geweest. Met alle kracht waarvan ik niet weet waar ik die vandaan haal weet ik de kraan dicht te draaien, de handdoek te pakken zodat ik me kan afdrogen. Liggend op de koude douchevloer. Ik kruip naar de woonkamer en pak mijn telefoon. “Naar bed, ik moet terug naar bed, ik moet liggen, dan ga ik bellen.”

Daarna is het alsof ik in een film zit die heel snel vooruit gespoeld wordt. Ik zie een goede vriend op de rand van het bed zitten, ik hoor mijzelf mijn werk bellen dat ik vandaag niet kom, de huisarts die binnenkomt en iets verteld wat ik niet heb onthouden.

Ik heb vandaag de strijd verloren. Dat voel ik. Aan alles. Mijn lichaam heeft het overgenomen en ik ben buitenspel gezet. Ik geef me over aan het moment. Ik heb geen andere keuze meer. Dit is het. Het moment waar ik eigenlijk al zo lang op wacht. Ik had het een paar weken geleden nog gezegd tegen een collega: “Eigenlijk zou ik ziek moeten worden en dan heel lang thuisblijven.” Op dat ogenblik wist ik het nog niet. Ik wist niks. Ik was nog verdoofd, blind voor alles, met name voor mijzelf.

“Ik heb het gezegd”, denkt ik. “Ik heb het gewoon hardop geroepen en nu komt mijn ‘wens’ uit?” Zo had ik het niet bedoeld. Of toch wel?

De huisarts vertrekt. Goede vriend blijft nog even. Het gaat langs me heen. Ik ben verdwaald in mijzelf. Ik weet dat dit het einde is. Of het einde voor een nieuw begin? Dit gaat dieper. Mijn lijf geeft het na een jarenlange strijd op. Ik kan maar één ding doen. Terug naar het begin.

Het begin van 1. Hoe het heeft gevoeld, 2. hoe het werkelijk is gebeurd en 3. hoe ik denk het echt is gegaan. En ik ga schrijven, krabbels, notities, aantekeningen tijdens of direct na doktersbezoek. Zenuwpijn. Terug naar het begin, denk ik terwijl ik machteloos in bed lig. Alles begon in Brabant.