Q-koorts

BoQsen

Team Roberto

Van achter uit de zaal buldert een zware mannenstem: “VEST AANHOUDEN JIJ!” Ik kijk verschrikt op en trek snel mijn rits weer dicht. “Je spieren moeten warm blijven”, zegt Roberto die ineens vanachter een bokszak tevoorschijn komt. “Anders krijg je, juist jij, daar last van en dán krijg je blessures. Zijn gezicht verzacht, “hou maar lekker aan, dan blijf je goed warm”, zegt hij zacht. “DOORGÁÁN”, buldert hij tegen de rest, “BAM, BAM, LINKS RECHTS, STOOT, KNIE!” Hij kijkt nog eens achterom en ik krijg een klein, bijna onzichtbaar knikje.

Ik ben een vechter. Altijd al geweest. Ik vecht met het leven, met het ziek zijn, met mijn lijf, met mijn geest. Ik vecht voor een beetje leven en gek genoeg kan ik van dat gevecht soms nog genieten ook. Mijn eerste sport was ballet, mijn tweede sport karate. Dansen en vechtsport. Twee passies. Ze lijken gek genoeg op elkaar. Dansen deed ik als sport tot 2007. Na mijn eerste hernia operatie was het gedaan.

In 2013 begaven mijn benen het. Ik viel (letterlijk) neer. Ik was toen 39. Ik werkte full time als Management Assistent en in een paar dagen tijd liep ik achter een rollator, zat ik maanden later in een scootmobiel en toen ik in 2016 in een rolstoel zat in het ziekenhuis heb ik gezworen dat ik daar nooit maar ook nooit meer in wil zitten. Ik ben een vechter. Zelfs toen ik niet kon lopen zocht ik nog oefeningen op internet om te kunnen bewegen. Ik ben altijd in gevecht met mijn lichaam en haar mankementen.

Het heeft lang geduurd voordat ik echt wist en toe durfde te geven dat dansen nooit meer gaat. Maar hoe lang roep ik al: “Ik wou dat ik een bokszak thuis had, ik zou zo graag eens al mijn verdriet, boosheid en frustratie eruit willen slaan.” Vervolgens kroop ik tijdens mijn laatste hernia op handen en voeten naar buiten om een sigaret te roken. Ik ben een vechter.

Nu is het 2019. Samen met de procesregisseur van Q-Support zijn we al een jaar bezig om mijn gemeente in beweging te krijgen (ja, dit is een woordspeling ) vanwege de vergoeding voor een beweegprogramma. In datzelfde jaar bezocht ik het Radboud. Niet omdat ik dat zo leuk vond maar omdat mijn QVS klachten zich op een nare manier begonnen te gedragen. Om uit te sluiten dat er niks anders aan de hand was werd ik binnenste buiten gekeerd met als resultaat dat het “gewoon” Q-koorts (QVS) is.

En in dat jaar sprak ik Daan die zei: “Waarom ga je niet een keer mee naar SportCentre Westervoort? Doe je een les met ons mee. De dag daarna heb ik Personal Training en dan kom je gewoon ook kijken.” Ik weet niet waarom ik “ja” zei maar ik ging. Wist ik veel wat ze daar deden. Ik heb lang gezocht naar een sportschool. Ik vond ze wel maar er ontbrak altijd wat. Doorgaans zijn trainers zo verdomd eigenwijs als je ze je beperking uitlegt. En ik begreep bij de zoveelste proefles niet waarom het maar niet lukte om te sporten. Altijd weer die terugslag. Maar ik ben een vechter.

Ik besloot dat het nu mijn laatste poging zou zijn tot een proefles bij SportCentre Westervoort. Als dit niks was dan zou ik er wel klaar mee zijn. Vechten is ook weten wanneer je moet stoppen. Tijdens mijn proefles hoor ik Roberto zeggen: “Handschoentjes aan dames!” Handschoentjes? Welke handschoentjes? Ik kreeg een paar bokshandschoenen in mijn handen geduwd en op dat moment is mijn wereld veranderd.

Ik stopte met roken want als de gemeente niet in beweging wil komen dan zoek ik zelf naar mogelijkheden. Het geld wat ik anders aan roken uitgeef daar betaal ik nu mijn Personal Training van.

In plaats van zogenaamde statische oefeningen sport ik nu met heel mijn lijf. Vreemd genoeg heb ik nog niet één keer een terugslag gehad. Nog vreemder is dat ik geen spierpijn heb en dat terwijl ik gisteren ziek op bed lag omdat ik door een onverwachte file een uur heb moeten autorijden.

Mijn trainer, Roberto is een bijzonder mens. Hij traint meerdere mensen met een enkel- of meervoudige beperking, lichamelijk dan wel geestelijk. Ik hoef hem niks te vertellen over wat ik wel of niet mankeer. Hij ‘voelt’ het en hij ziet het. Feilloos. Hij ziet wanneer ik nog kan, hij ziet of ik goed adem en zegt nooit dat iets niet goed is. Nooit. Zijn woorden zijn altijd positief, opbouwend, motiverend. Zijn gevoel is afgestemd op de ander. Zo zegt hij uit het niets: “Kom eens op de maandagochtend, dat is een klein groepje, dat past goed bij je.” Het bewegen met heel mijn lijf doet wonderen en geestelijk gaat er een luikje open wat heel lang heeft dichtgezeten. Regelmatig knijpt mijn strot dicht van emotie en dan zegt Roberto alleen maar: “Dat mag hier ook.” Hij geeft me dan een paar seconden en brult daarna met een grijns: “DOORGAAN.” Niemand kijkt je daar raar aan, van echte vechters tot mensen zoals ik, iedereen groet elkaar, niemand kijkt of je er wel hip genoeg uitziet. Niemand beoordeeld op hoe je wel of niet beweegt.

Ik verleg nu grenzen op alle vlakken zonder over mijn grenzen heen te gaan. Als ik thuis ben hoor ik soms nog “DOORGAAN!” Ik zei laatst tegen mijn lief: “Dit is de enige man waar ik braaf naar luister, voor het eerst in mijn leven neem ik zonder tegenspartelen aan wat iemand zegt omdat ik voel en weet dat dit iemand is die het beste voor heeft en hij weet waar hij het over heeft.”

Vechten is voor mij de enige manier. Dat ik dit sinds kort lichamelijk kan uiten, dat het een kanaal heeft gevonden waardoor het andere ‘vechten’ eindelijk naar buiten kan, is mijn grootste overwinning. Ik ben en blijf een vechter op alle vlakken. Dit is mijn persoonlijke verhaal, mijn persoonlijke weg die ik NU bewandel. Ik ben nu 45. Zes, bijna zeven jaar nadat mijn benen het begaven.

Ik wil altijd het beste. Nu ben ik het beste voor mijzelf. Ik hoef nu namelijk niet meer zo hard te vechten .