ZENUWPIJN.

2. Stage

2017. Weet je nog mijn lief? Jij en ik kende elkaar net een jaar. We zaten nog in de aanloopfase van het opbouwen van een nieuwe relatie. Doordat ik ineens een relatie had met een man die werkt stimuleerde mij dat om ook iets te doen. Ik was ruim drie jaar thuis en eens in de zoveel tijd kriebelt het en doe ik weer een vaak tevergeefs verwoede poging om iets van een hobby of bezigheid te zoeken. Ook het feit dat ik eindelijk een diagnose had en die tijd vretende ziekenhuisbezoeken klaar waren gaf rust en ruimte om te kijken: Wat kan ik wel en wat kan ik met mijn lijf en geest nog aan? Ik besprak het met jou en zoals altijd vond je het een goed idee.

Als we het dan hebben over de vraag ‘wat doe je zoal de hele dag’ dan voel ik iets branden in mijzelf. Ik wilde al zo lang, al is het maar een dagdeel per week, de deur uit, even geen patiënt zijn. Geen focus op ziek zijn, gewoon mijzelf kunnen zijn. Mijn leven bestond voordat ik jou kende uit verveling, uitputting, ziek zijn maar vooral door leegte. Eindeloze leegte.

In de nazomer van 2017 jaar zag ik een advertentie van een Uitgever: “Dwarsdenkers open dag, zoekt eigenwijze professionals met een verhaal, die een boek willen inzetten om dat te versterken.” Hier zou ik heen gaan! Ik ben een dwarsdenker, ik ben een professional (al heb ik geen idee waarin maar dat zou ik ter plekke op het inschrijfformulier bedenken), ik heb een verhaal en ik wil een boek schrijven. Ik schreef mijzelf in als “ervaringsdeskundige”, verstuurde het inschrijfformulier, ontving een bevestiging terug en dat was dat. Als zogenaamde “ervaringsdeskundige“ had ik mijn verhaal al klaar. In mijn hoofd dan.

En zo ontmoette ik Martijn Adelmund, schrijver en kunstenaar. Hij gaf op deze dag een workshop. Een dag na de Dwarsdenkersdag stuur ik Martijn een vriendschapsverzoek via Facebook. Hij accepteert mijn verzoek en daarna keer ik in rap tempo terug naar de stilte. Ik los net zo snel op als een suikerklontje in heet water. Ik ben er wel maar je ziet me niet.

Een maand later plaats ik een oproep op Facebook. Omdat ik via de vrijwilligers organisatie niks kan vinden en het meeste werk niet aansluit bij mijn fysieke mogelijkheden (en dus ook beperkingen maar mogelijkheden klinkt positiever, alsof dat helpt) doe ik een beroep op de creativiteit van mijn Facebook ‘vrienden’. Er wordt druk gereageerd. Ondanks alle goede bedoelingen zit ik hoofdschuddend achter de laptop. “Nee, dat is niks voor mij, mijn god, dat al helemaal niet, hoe verzin je het”, zijn gedachte die door mijn hoofd spoken. Op het moment dat ik overweeg om de oproep weg te halen reageert Martijn. “Ik kan wel hulp gebruiken bij literair onderzoek.” Ik lees de reactie, nog eens en nog een keer. Snel stuur ik een privé bericht. We spreken een week later af, op een dinsdag om er verder over te praten.

Toen ik voor het eerste keer aankwam bij het huisje aan de Veerstraat werd ik uitbundig ontvangen. “Hoi, hallo, wees welkom, ik ben Martijn Adelmund, maar dat wist je natuurlijk al. Wat fijn dat je wilt komen helpen. Drink je thee? Terwijl Martijn druk in de keuken bezig is sta ik als een zenuwachtig kind, verbouwereerd en overdonderd door zoveel vriendelijkheid, in de gang van het huisje aan de Veerstraat. Het is lang geleden dat ik met zoveel warmte en oprechte hartelijkheid ergens ben ontvangen. Het raakt me en confronteert met de jaren van eenzaamheid en alleen zijn.

Diezelfde middag ontmoet ik ook de vrouw van Martijn. Twee open mensen die mijn geschiedenis niet kennen. Ik word benaderd als gewoon mens zonder ziekte. Zij weten wèl wat ze moeten zeggen i.p.v. mijn omgeving die niet meer weet wat ze moeten zeggen. Er is een heus gesprek. Over kunst, cultuur, boeken. Ik voel me weer mens. Na de eerste kennismaking met Martijn weet ik wat ik gemist heb. Contact. Ik realiseerde me dat ik vijf lange jaren opgesloten had gezeten in mijn huis. Dat was allemaal vóór ik jou leerde kennen mijn lief.

Martijn verteld dat hij met een nieuw boek bezig is en wel iemand kan gebruiken om onderzoek te doen en hij vraagt of mij dat leuk lijkt. Ik heb geen idee maar het vooruitzicht om elke week de deur uit te zijn en dan ook nog in een creatieve omgeving terecht te komen is een onverwacht cadeau. Al zou ik elke week daar de vloer moeten moppen, dan nog had ik het gedaan. 31 Oktober 2017 is mijn eerste echte stage dag. We maken zelfs een contractje. Wat was ik trots. Het is een verademing om in deze schijnbare chaos te mogen zijn. Geen opsmuk, geen schitterend jaloers makend prachtig ingericht huis naar de laatste woontrends. Nee. Niks van dat.

Als je het huis Veerstraat binnenkomt vindt er een verschuiving in tijd en ruimte plaats, treedt je binnen in een andere dimensie. Een ruimte vol rust. Binnen in huis is een ogenschijnlijke wanorde maar dit is schijn. Het is niet echt. Het gezin  draait op liefde en verbinding en daar is de structuur. De rest is bijzaak. Alle schoenen, borden pannen, foto’s de vissenkom, kinderkraaltjes in een huis met drie meiden. Alle spullen van materialistische aard hebben geen enkele toegevoegde waarde in dit huis wat uit zijn voegen lijkt te barsten. Dit is een thuis.

Vol enthousiasme vertel ik alles aan jou. Je zegt dat je het leuk vindt voor mij en ik weet dat je dit oprecht meent. Je kent mijn wens om zelf een boek te schrijven al kan je niet helemaal nagaan waar het over zal gaan. In 2017 zijn Martijn en ik vrienden geworden, anno 2021 elkaar weer uit het oog en het hart verloren. Toch reed ik een jaar lang  één keer per week met mijn kleine Smart naar Wageningen. Als ik thuiskwam was ik altijd weer vol energie ondanks de sluimerende moeheid.

Jij weet dat ik geniet om me in een kunstenaarswereld te begeven en ik knuffel je altijd als ik thuiskom omdat ik blij ben dat jij bent zoals je bent.

ZENUWPIJN.

1. Punt

“Martijn? Mag ik jou wat vragen?”
“Ja natuurlijk.”
“Het gaat over mijn boek.”
“Wat wil je weten.”
“Nou, ik had het laatst met iemand over de titel…”
“Ja en?”
“Nou, wat zou jij doen, als uitgever, ik zou graag jou mening als uitgever willen weten.”
“Wat is de vraag Deverra?”
“Ik wil graag een punt achter de titel zetten maar ‘ze’ zeggen dat dat niet kan?”
“Dat is inderdaad ongebruikelijk. Ik als uitgever zou adviseren om dat niet te doen.”
“Ja maar omdat het ongebruikelijk is wil het toch niet zeggen dat het niet kan?”
“Dat is waar en als je dat perse wilt zou ik als uitgever je adviseren om het niet te doen maar als je het echt wilt dan moet je dat doen maar waarom zou je het willen?”
“Omdat er een punt achter hoort. Is een gevoelsdingetje.”
“Maar taalkundig klopt het niet dus als je wilt dat je boek en jij serieus genomen wordt is het verstandiger om het niet te doen.”
“Maar er hoort een punt achter. Als statement. Zenuwpijn. Punt. Einde verhaal, als een symbolische afsluiting.”
“Maar dat is voor jou zo, snappen de lezers dat ook? En het wordt nooit gedaan en grammaticaal is het fout.”
“Hmmm…”
“Dus jij zou, net als het advies wat ik kreeg van andere schrijvers, het niet doen.”
“Nee, niet als je serieus genomen wilt worden als schrijver.”
“Oké. Ik ga er eens over nadenken. Toch wil ik er een punt achter.”

“Het is half twee. Martijn, ik ga naar huis, volgens mij ben ik een beetje moe. Het is klaar voor vandaag.”
“Dat is goed hoor, ga jij maar lekker naar huis. We hebben weer hard gewerkt vandaag. Dank je wel.”
“Ik sta op, pak mijn spullen, loop naar de deur en bots tegen de deurstijl op.”
“Gaat het Deverra, kom je wel veilig thuis?”
“Ja hoor, komt goed.”
Een paar uur later gaat mijn telefoon. Verward kijk ik naar het scherm en in een poging het geluid te laten stoppen neem ik per ongeluk aan.
“Dag Martijn.”
“Hoi Deverra, ik wilde even bellen om te weten of je veilig bent thuisgekomen.”
“Jawel hoor, dit is niks nieuws, je hebt nu een fractie van een Q-koorts aanval gezien, ik ben het wel gewent.”
“Ja, ik maakte me wel zorgen maar fijn dat je veilig thuis bent gekomen, ik schrok wel hoor.”
“Dat is lief maar ik lig nu op de bank dus het gaat wel. Meestal gaat het na een paar uur wel over dus ik wacht rustig af.”
“Oke, dan is het goed, beterschap Deverra.”
“Dank je wel Martijn.”

ZENUWPIJN.

0. Inleiding: Zenuwpijn.

Het boek wat niet geschreven mag worden. Waar alles in staat wat tegen schrijversregels ingaat. Het boek waar taboes en onbesproken onderwerpen boven tafel komen. Dit zijn de drie redenen waarom dit boek hoofdstuk voor hoofdstuk online gepubliceerd wordt. Ongetwijfeld kom jij als lezer taal-, type- en spellingsfouten tegen. Q-koorts krijgen is ook een foutje. Soms moet er iemand zijn die zijn of haar eigen regels maakt. Als ik me aan de uitgevers- of zogenaamde boekschrijversregels moet houden wordt dit boek nooit gepubliceerd.

Een boek met een begin maar zonder einde. Neervallen, opstaan, uithuilen, doorgaan.