Het leven naast Q-koorts

Ik heb er een broertje dood aan…

Ik deed mijzelf ooit een belofte: Als onze vader er niet meer is ga ik je zoeken. Mijn onbekende broer en zus. Onze vader overleed in 2007 en twee jaar later had ik jullie gevonden. Je woonde in een instelling voor mensen met niet aangeboren hersenletsel. Korsakov was de diagnose. Gezien het aantal verstopte bier flessen die we vonden toen we je kamer opruimde verbaasde me dat niks.

 

Ik heb je één keer ontmoet. Het had gesneeuwd. Je stond buiten en gaf me een hand. Je was zo kwetsbaar.

Drie weken later ging je dood. Ik hoor je nog zeggen: “Er moeten meer kinderen zijn, ga ze zoeken.” Deze enige, eerste en gelijk laatste ontmoeting vergeet ik nooit. Ik heb onze vader vervloekt. Had hij maar geweten wat voor prachtig kind jij was. Jaren droeg ik schuld op mijn schouders. Ik had je veel eerder moeten gaan zoeken. Ik had aan je bed moeten zitten toen je pijn leed. We hadden als kinderen door het bos moeten struinen, takken en stenen dragend om er ooit wat van te maken.

Maar je stierf alleen. Je lichaam was ter beschikking aan de wetenschap gesteld. Geen afscheid. Door de liefdevolle verhalen van Klein Slath leerde ik je kennen. Door het opruimen van je kamer zag ik je verdriet. Ik vergeet je nooit. Traditie getrouw drink ik altijd een biertje op deze dag. Zingend proost ik dan op jou.