Q-koorts

OQtober

Foto door Elina Krima via Pexels

Het is weer oQtober. Elk jaar een cruciaal moment. Hoe lang houdt mijn lijf de zomer vast? Elk jaar een teleurstelling, tegen beter weten in, als het niet lukt. Bij elke seizoenswisseling gaat het op hol, daar kan geen klimaatverandering tegenop.

Maar aan de buitenkant zie je niks.

Wanneer ik wakker word of anders gezegd, het tijd is om op te staan na een nacht vol herrie in mijn lijf, probeer ik voorzichtig alles even te bewegen in de hoop dat er niks blokkeert. Ook al is de temperatuur tegen het vriespunt, mijn eigen thermostaatje is kapot. Vooral ‘s nachts. Hoe onrustiger de dag en/of avond, hoe zwaarder de nacht.

Maar aan de buitenkant zie je niks.

Als ik opsta uit bed gaat dat gepaard met een inwendige schreeuw. Ik wil de buren niet alarmeren met mijn gekreun en gesteun terwijl mijn benen nog niet helemaal willen doen wat ik wil. Alsof er een defect in de aansturing zit. Elke ochtend hoop ik dat de krampen uitblijven. De eerste minuten na het uit bed stappen voelen mijn voetzolen alsof ik op punaises loop.

Maar aan de buitenkant zie je niks.

Ik zet met volle concentratie koffie. Het kost moeite om iets vast te pakken en nog meer om het vast te houden. Wat er de laatste tijd allemaal uit mijn handen valt…het is een wonder dat er nog niks gebroken is aan glas- of overig serviesgoed. Het lijkt wel of mijn hersens soms niet registreren wat er gebeurd en het onthouden van simpele handelingen is in dit seizoen erger dan normaal. Iets wat is nog steeds als beangstigend ervaar. Om een voorbeeld te geven: Als ik wil koken en ineens voor het aanrecht sta en gewoonweg niet weet wat ik ging doen. Of in de supermarkt loop mèt een briefje en dan volledig de weg kwijt zijn.

Maar aan de buitenkant zie je niks.

Tandenpoetsen, haren wassen, alles doet pijn en kost veel energie. Energie waarvan ik op dit moment niet weet waar ik hem vandaan moet halen. En dat terwijl de onrust door mijn lijf giert.

Maar aan de buitenkant zie je niks.

Na uren op de bank te hebben doorgebracht besluit ik even naar buiten te gaan. De voortuin wordt gedaan en er moet nog wat onkruid weggehaald worden. Er wordt een praatje gemaakt en de welbekende vragen gaan over en weer. “Wat doe jij voor werk?” Ik ben altijd open en heb geen zin en tijd meer voor onzin dus ik gooi er gelijk in dat ik niet werk omdat ik ben afgekeurd. En dan komt er een opmerking die mij toch elke keer weer, ook al weet ik beter en weet ik met mijn verstand dat het onwetendheid is en alle bla bla op een stokje: “Maar je staat nu wel in de tuin te spitten dus dan gaat het toch goed met je.”

Dat klopt, aan de buitenkant zie je niks.