ZENUWPIJN.

9. 1 SOLK (deel 1)

Foto door Tima Miroshnichenko via Pexels

Ik heb een eerste afspraak gemaakt met de praktijkondersteuner. Oftewel; een maatschappelijk werker verbonden aan de huisartsenpraktijk. Ik vind het spannend. Al met al is het een behoorlijk aantal jaren geleden dat ik een hulpverlener in deze sector heb bezocht. Ik zit er niet echt op te wachten maar ja…als het helpt om de huisarts ervan te overtuigen dat ik last heb van een scala aan jarenlange zogenaamde vage klachten en niet van mijn psyche ga ik er maar braaf heen.

De discussie met de huisarts hierover ontstond dat ik opperde dat ieder mens in zijn of haar leven wel eens een periode heeft waarin ‘dingen’ niet helemaal gaan zoals ze moeten gaan maar om daar nu weer op terug te komen leek me wat overdreven. Het is meer dan 15 jaar geleden, een hele andere levensfase, leeftijd, situatie, dat heeft echt geen enkele relatie met het feit dat ik NU bij de huisarts zit. Als je daardoor neerklapt moeten er meer mensen zijn die letterlijk neervallen. Ik ben er op dat moment van overtuigd dat de praktijkondersteuner dat ook wel ziet.

Ik ben een energieke vrouw die midden in het leven staat, verdriet uithuilt wanneer dat nodig is, door mijn omgeving wordt omschreven als krachtig, sterk, spontaan, open, hartelijk, communicatief, gevoelig, met een scherpe blik op het leven, positief, altijd vrolijk, nuchter en helder van geest. Dus ik voorzag alleen deze ene afspraak met meneer praktijkondersteuner waarin ik hem duidelijk zou maken dat ik hier eigenlijk niks te zoeken heb maar gewoon naar een dokter in een witte jas doorverwezen moet worden.

Dat dacht ik, want tenslotte heb ik een behoorlijk overzichtelijke blik op mijn leven en kan ik goed zaken onderscheiden. Dus neervallen met pijn en andere shit (die inmiddels al een aantal maanden slash jaren aanwezig is) die vervolgens afgedaan wordt als SOLK leek me wat overdreven en past totaal niet bij de persoon die ik ben.

De praktijkondersteuner dacht daar anders over. Een van de eerste vragen die ik kreeg was of ik wist wat psychosomatische klachten zijn. Termen als SOLK en ‘vage klachten’ vlogen weer voorbij.

Ik begreep gelijk hoe het stokje van de huisarts was overgedragen. ‘Zo werkt dat dus’, dacht ik nog. Zoals ik bij de huisarts meldde zei ik nu ook: dat de term vage klachten niet zo leuk zijn om te horen want voor mij zijn de klachten niet vaag maar dagelijkse realiteit en ik kan ze mijns inziens vrij goed ont-vagen. Ik probeerde voor de zoveelste keer te vertellen dat de klachten voor mij niet ‘vaag‘ zijn maar heel echt en beperkend in het dagelijks leven alleen kreeg ik het gevoel dat dit niet de bedoeling van het gesprek was. Ik werd een beetje bang van deze man dus ik dacht: ‘Laat ik maar zeggen dat ik het niet weet wat psychosomatische klachten zijn want hij wil het volgens mij heel graag uitleggen.’

De blik van de praktijkondersteuner, scherp en veroordelend heeft mij snel het zwijgen opgelegd want zoals hij toen zei: “Je begrijpt het niet helemaal, ik zal het je nog een keer uitleggen.” In ieder geval was er met mijn mensenkennis dus niks mis.

In dat eerste gesprek vroeg hij naar mijn jeugd en ouders. Ik vertelde hem wat hoogtepunten. Ik was volgens hem een KOPP kind, met HSP (Hoog Sensitief Persoon) maar ik was niet depressief en dat wist hij na één sessie van een uur terwijl ik alleen maar vertelde wat mijn fysiek gevecht is en op zoek ben naar antwoorden. Ik vond het wel knap dat hij in een uur een ongefundeerde analyse kon maken maar ik dacht: ”Hij is ook een soort van dokter dus hij zal het wel weten.” Alleen jammer dat hij de liefde voor mijn ouders niet meegeteld heeft. Maar dat was loyaliteit volgens hem.

Ik kwam voor het een en ging naar buiten met twee plakkertjes op mijn hoofd die ik niet kon plaatsen. Waar ik voor kwam werd niet besproken. Ik kwam niet om een verleden te bespreken waar mensen bij zijn betrokken die nu niet bij dit gesprek zitten en datzelfde verleden gewoon prima is. Niet meer en niet minder. Ik ken mijzelf het beste dus ik dacht: “Ik geef hem gewoon antwoord, kunnen we daarna verder met de vraag wat ik hier eigenlijk doe en hoe ik van mijn pijn af kan komen.”

Ik ben dus een KOPP kind. Wat moet ik daarmee? Punt 1. Heb ik nog pijn in mijn been. Punt 2. Ik heb door de jaren heen een hele mooie weg gevonden in het contact met mijn ouders en dat ligt allemaal zo ver achter me. Ik leef in het nu en nu heb ik pijn, niet alleen maar in mijn been maar de afgelopen weken zijn mijn andere al jaren bestaande klachten ook weer in alle hevigheid aan het toenemen.

Ook leek het me handig om, nu ik er toch bij de psychedokter zat, te vertellen dat ik inmiddels al een tijd thuis zit en dat deze situatie mijn geest geen goed doet. Ik voel me eenzaam. Tenslotte is hij de psychedokter dus zal hij dat wel begrijpen. Wellicht kan hij met een oplossing komen want dat is wat praktijkondersteuners doen of mij anderzijds van advies voorzien. Hij begreep het niet of wilde het niet begrijpen.

Desalniettemin bleef hij terugkomen op de relatie tussen psyche en lichaam. “Er zijn mensen die in een rolstoel zitten vanwege psychische klachten”, vertelde hij om zijn ‘gelijk’ kracht bij te zetten. Ik dacht: “Ik zit niet in een rolstoel en ik ken die mensen niet, dan wil ik die wel eens ontmoeten.”

ZENUWPIJN.

8. Dit ga ik niet winnen

Een jaar, 12 maanden, 52 weken, 365 dagen. Vragen zonder antwoorden. In december 2012 ging ik voor het eerst naar de neuroloog. Die zei toen dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. Dat is dan niet helemaal gelukt.

Er knaagt iets. Diep van binnen is er een stemmetje wat mij verteld dat ik niet alleen een hernia heb. Het lijkt wel, nu ik me eraan overgegeven heb, dat alle jaren van opgebouwde klachten heftiger zijn. Alsof er nu ruimte is voor mijn lijf om toe te geven aan haar gevoel. Ik heb ooit een quote gelezen: Luister naar het fluisteren van je lijf zodat het niet hoeft te schreeuwen.

Als ik wil weten wat er is moet ik een afspraak met de huisarts maken. Ik heb nu lang genoeg op bed gelegen en nagedacht. Het vroegere stigma van ‘kan het stress zijn’ afgewogen en daarmee de twijfel van tafel geveegd.

Ik vind de huisarts altijd een beetje arrogant overkomen met zijn te hippe kleding en passieve houding. Hij heeft iets over zich waardoor ik me klein voel, de blik is altijd wat neerbuigend. Je doet je verhaal daar maar het is dan net alsof hij je niet hoort. Alsof hij denkt: ‘Ja, ja. Het zal wel.’ Ik vertel de huisarts wat mijn eigen bevindingen zijn. Ondersteunt door mijn uitgeprinte spreadsheet. Ik laat mijn lijst zien van klachten en vraag of het mogelijk is om verder onderzoek te krijgen. Waarnaar er meer onderzoek moet komen weet ik niet maar heb stille hoop dat de huisarts daar met mij over wil sparren.

Daar zit ik dan mijn lief. Had ik je toen maar gekend. Hoe stoer ik alles nu schrijf, ik ging kapot van binnen. Waar ik voorheen een zelfverzekerde vrouw was, overviel mij nu iets heel anders. Eenzaamheid van binnen en onbegrip van buiten. Regelmatig vroegen mensen mij: ‘Weet je nu al wat er aan de hand is?’ Ik moest keer op keer uitleggen dat de medische wereld zo niet in elkaar zit zonder dat ik zelf begreep hoe deze wereld werkt. Ik belandde in een hele nieuw universum met eigen regels en wetten. Alsof iemand mij in een diepe put had gegooid. Hoe hard ik ook gilde, geen mens kon me horen. Ik werd onzeker, als mens en als vrouw. De dagen vulde zich langzaam met verdriet en pijn. Inmiddels ken jij dat stuk van mij. Ik miste mijn oude zelf. Die vrouw die elke dag goed gekleed, hakje, dasje, tasje in vol ornaat 40 uur werkte. Bij een feestje vooraan stond. Nu weet ik dat het grootste deel façade was, een lappendeken om 90% van mijn ware kern te verhullen. Als ik nu, anno 2021 weer eens make up op heb voel ik me gek genoeg niet mezelf. Jij kent beide kanten van mij lief. En het beste is nog dat je van beide evenveel houdt. Wonderlijk mens dat je bent.

Zo belandde ik dus zelfverzekerd met al mijn onzekerheden en mijn spreadsheet aan klachten bij de huisarts. Vastberaden om een doorverwijzing ergens naartoe binnen te harken. Ik vertelde dat op de dag dat ik ben gevallen, ik iets heb voelen verschuiven in mijn rug en een soort van ‘knoek’ hoorde. Dat ik al jaren vermoeid ben en liet de eerste melding in mijn medisch dossier zien. Ik sprak over de verkrampingen, spierpijnen en nog veel meer. Ik vond dat zo raar dat mijn benen niet als zenuwpijn voelen die volgens de neuroloog uit de rug zou komen. Tenslotte had ik eerder een hernia gehad en als je eenmaal weet wat zenuwpijn is vergeet je dat nooit meer. Dit voelde anders. De huisarts meent dat deze pijn precies past bij de hernia, het punt waarop de zenuw geprikkeld wordt. De neurologe zegt dit, de neurochirurg waar ik een second opinion had gehad zegt dat en toch, waarom kon ik ze niet geloven? Ik geloof de huisarts ook niet maar hij is de dokter, hij zal het wel weten.

Vanachter zijn computer scrollt hij wat door mijn dossier en stopt plotseling. Ik observeer hem nauwkeurig en denk: ‘Nu krijg ik antwoord!’ De huisarts kijkt mij met zijn meest serieuze blik aan, zet zijn ellebogen op het bureau waarbij hij zijn hoofd laat rusten in de kom van zijn handen en zegt: ‘Ik zie dat je in het verleden wel eens wat somber bent geweest? Heb je daarvoor toen hulp gehad? Misschien moet je eens gaan praten met de maatschappelijk werker hier, de praktijkondersteuner, die kan je goed helpen.’

Ik vind dat wat vreemd want wat heeft dat met de pijn in mijn been te maken? Ik ben niet somber. Ik kom met een lijst aan serieuze fysieke klachten die ik al jaren heb. Duidelijk ontstaan op een bepaald punt en nu ben ik ineens somber? Toen wel, dat klopt. Nu werk ik 40 uur, heb een goede, solide sociale kring (waarbij ik de meeste mensen al een heel leven ken, vermeld ik de huisarts terloops), en ik ga regelmatig ergens heen. Ik heb geen reden tot somberheid. De huisarts, inmiddels achterovergeleund in zijn stoel, hoort mijn verhaal aan. Ik zie dat mijn strijd verloren is. Dit ga ik niet winnen.

‘Ik zie ook dat je in het verleden anti depressiva hebt gehad, hielp dat toen?’, vervolgt hij zijn eigen verhaal. Ik verschuif wat op mijn stoel en ik begrijp niet waar dit vandaan komt. Ik ben neergevallen, dusdanig dat ik nu in de ziektewet ben beland en het mijn dagelijks functioneren beperkt. Mijn hersenen draaien op volle toeren. Hoe kan ik dit gesprek niet voeren? Het nadeel aan mijn karakter is dat ik in dit soort situaties implodeer. Mijn brein maakt kortsluiting en ik verstar waardoor ik niet meer kan reageren.

Ik vertel de huisarts nog net dat mijn pillenperiode 15 jaar geleden is, in 1999 en dat we nu in 2013 leven en ik nu pijn in mijn been heb en mij zorgen maak. De huisarts is onverbiddelijk. ‘Ik wil dat je eerst een afspraak met de praktijkondersteuner maakt.’ Omdat ik graag van de pijn af wil doe ik maar wat hij zegt.

De huisarts sluit af: ‘In het geval van vage klachten spreken we van SOLK, somatisch onvoldoende verklaarde klachten.’ Ik voel mezelf woedend worden. ‘Voor mij zijn de klachten niet vaag maar dagelijkse realiteit’, zeg ik. ‘Toch lijkt het me zinvol dat je eerst een afspraak maakt met de praktijkondersteuner.’

Ondanks dat ik van de pijn bijna niet kan lopen been ik woedend de praktijk uit en denk: ‘Dat je zelf de SOLK krijgt, ellendige etter dat je bent.’ Ik maak een afspraak bij de praktijkondersteuner, hoe sneller we hiervan af zijn hoe beter. Misschien kan de praktijkondersteuner zeggen dat alles oké is en mij terugverwijzen naar de huisarts. Tenslotte is hij ook een soort dokter en die weten dat meteen.

ZENUWPIJN.

7.2 Een zomerdag in juli DEEL 2

© eigen foto

De geest verstomt wanneer het lijf te veel pijn heeft. Het lijkt wel alsof een deel van het brein wordt uitgeschakeld. Tegelijkertijd zijn gedachten helderder dan ooit. Ik kwam al liggende in een soort van meditatieve staat van zijn. In deze paradoxale toestand nam ik als vanzelf een duik in het verleden. Ik stelde mezelf de vraag: “Wat is dat, terug naar het begin? Wat is het begin precies? Is het begin daar waar de lichamelijke klachten beginnen of is het begin waar volgens de huisarts de stress begint of is het een combinatie van beide?”

Als ik terugdenk aan mijn ex Marcel moet ik glimlachen. Voor hem verhuisde ik naar Herpen, Brabant. Wat was ik nog jong, net 25. Hij was 13 jaar ouder. Ik viel als een blok voor hem. Vier jaar later verhuisde ik alleen naar Ravenstein. Drie jaar later trouwde ik met Twan die samen met zijn huidige vrouw er indirect voor heeft gezorgd dat ik mijn diagnose kreeg. Twan was niet mijn grote liefde maar in veel opzichten wel de zorgzaamste man die ik ooit heb ontmoet. Tot op de dag van vandaag draag ik hem een heel warm hart toe, ondanks alles. Na onze scheiding en mijn eerste herniaoperatie ontmoette ik Michel. Mijn grote liefde. Heimwee en een leven naast elkaar in plaats van met elkaar deed ons besluiten onze relatie te stoppen. Al mijn banen. Alle keren dat ik verhuisde. Alle liefdes. Ik kan er geen oud zeer bij voelen.

Ik had niet het gevoel dat dit me heeft doen neervallen. In plaats van een bodyscan deed ik een soort van mentale scan. Bij al die gedachten kwam ik steeds op hetzelfde beginpunt uit. Er is ‘iets’ gestart in Brabant. Ik liet daarom mijn emotionele verleden rusten.

Zo lag ik in bed, dagenlang. Totdat het geen dagen maar weken waren geworden, zonder dat ik het doorhad. Mijn blik was naar het verleden gericht. Ik wist wel waar het begin was maar niet hoe ik moest beginnen. Daarom maakte ik een spreadsheet. Pragmatisch als ik kan zijn. Zo kon ik de feiten van gedachten scheiden. Ik noteerde in een linker kolom alle fysieke klachten vanaf ‘het begin’. Daarnaast maakte ik een kolom met levensgebeurtenissen. Er was geen rechte lijn in te maken. Er zat geen logica of verband tussen deze twee. Sterker nog…de fysieke klachten waren er eerder dan zogenaamde ‘stresssituaties’.

Wel ontdekte ik gaten. Kreeg ik nieuwe vragen zonder antwoord en besloot daarom mijn oude medische dossier vanaf ongeveer 2005 op te vragen. Het was alsof er een blinde vlek was waar ik geen vat op kreeg. Het was duidelijk dat mijn lichaam met periodes minder goed functioneerde. Ik kon mijn klachtenlijstje niet plaatsen, het raakte kant nog wal. En de vraag bleef: Waarom begon ‘alles’ in Brabant? Een heel klein stemmetje vroeg zich zachtjes af of ik het verkeerd zag; kon het misschien stress zijn? Elke keer wanneer dat kleine stemmetje tevoorschijn kwam brulde er van binnen een tegengeluid: Nee, het klopt allemaal niet, ga het uitzoeken! Deze kleine twijfel zou me later de das omdoen.

Ik besloot maar eens een afspraak te maken met de huisarts. Met spreadsheet en al.

ZENUWPIJN.

7.1 2013 een zomerdag in juli DEEL 1

Foto door Maxim Kovalev via Pexels

Herinneringen. Ik vind ze vreselijk. Gebeurtenissen die ineens -als een vals duveltje uit een doosje- langskomen. Meestal onverwacht, soms vooraf netjes aangekondigd. Deze momenten kunnen de dag maken en/of breken.

De heftigheid van mijn herinneringen is in een ver verleden benoemd als PTSS. Ik bezocht een psycholoog die mijn hulpvraag (waarom ben ik zoals ik ben?) niet begreep. Met mijn angst voor opgeplakte labels liep ik hard weg bij deze psycholoog. Ze wilde wel EMDR-en, alleen heb ik mijn emotie nodig, het is mijn drijvende kracht. Waarom zou ik iets ontkennen, mijn emoties af laten vlakken door middel van tikjes door een koptelefoon? Nee, ik wil het doorleven, voelen, tot de bodem gaan, verdrinken en vanzelf weer boven komen drijven om daarna een diepe ademteug te nemen en opnieuw te beginnen. Ik ben niet iemand die snel ergens voor wegloopt. Nee gewoon BAM, de confrontatie in. Helaas bleef het psychologenbezoek als ducktape aan me vastkleven.

Ik heb verschillende soorten herinneringen. Misschien wel drie of vier of nog vele meer maar om het overzichtelijk te houden is drie makkelijker: 1. Herinneringen van hoe iets heeft gevoeld. 2. Hoe ze werkelijk zijn gebeurd en 3. Hoe ik denk het echt is gegaan. Onlangs zei iemand nog tegen mij: “Het gaat in je hoofd een eigen leven leiden.” Door zulke uitspraken lijkt het net alsof dat ‘het’ aan mij ligt. Alsof. Alsof de verzender van deze boodschap géén eigen herinnering(en) heeft.

Altijd, overal, iedereen, ik overdrijf graag omdat deze woorden uiting geven aan mijn gevoel. Dat overdrijven is ontstaan doordat ik niet zo goed gehoord wordt. Dit heeft meerdere oorzaken en omdat ik ook nog eens niet zo’n hard stemgeluid heb ben ik in woorden kracht bij gaan zetten. Hier is dus geen label voor, het is misschien meer een coping. Verdomme, nu ga ik het zelf labelen. Sukkel. Hierdoor kom ik bijna altijd anders over dan ik ben. Het is ook nooit goed. En het enige wat ik wil is gewoon gehoord worden. Of ik nou praat over boodschappen doen of over het weer of wat dan ook. Hoor mij!

Afijn. In werkelijkheid wring ik herinneringen uit als een natte handdoek zodat alleen mijn rauwe, pure emotie overblijft. Dat maakt dat 1. De ene soort herinnering van mijzelf is. 2. De ander die zoals men graag wil dat bijvoorbeeld dit verhaal verteld wordt. Wat zou dat geweldig zijn als ik zou leven volgens andermans herinnering. Wat zou ‘men’ dan blij zijn. Maar zo leef ik niet. Niet meer. Ik leef nu mijn eigen herinnering. En daarmee ben ik gevallen. Letterlijk.

Ik val op een zomerdag in juli. Een maandagochtend om precies te zijn. Ik was blij dat ik naar mijn werk kon want de weersvoorspelling gaf aan dat het 30 graden zou worden. Bloedverziekende hitte. Mijn huis staart op het zuiden en heeft een plat dak. Op mijn werk kan ik tenminste in de airco zitten. Het plezier van de airco wint het van de ellende die ik ervan krijg. Zolang ik maar niet thuis hoef te zijn. Vandaag niet in ieder geval. Ik sta om zes uur op. Deze tijd heb ik nodig. Tegenwoordig lig ik om half negen ’s avonds in bed, soms blijf ik op. Dan ga ik om negen uur naar bed. Ik ben moe. Zo moe. Ik weet niet waarvan, ik weet alleen dat ik door moet. Werken. Hitte.

Die verdomde airco. Gek word ik van het gebrom en gezoem van het installatiesysteem boven mijn hoofd. De koude lucht die vanaf mijn hoofd, via mijn nek naar beneden blaast. Ik kan er niet tegen. Al die geluiden, het voor anderen onzichtbare knipperende en trillende tl licht, de geur van de airco. Liever zet ik gewoon een raam open, van buitenlucht die naar binnenwaait krijg ik geen stijve nek.

Na dat op deze maandagochtend de wekker is gegaan sta ik op. Ik zit op de rand van het bed en het kost me moeite om overeind te komen. Elke motivatie ontbreekt. Ik kijk naar rechts en zie een hoopje kleding liggen. Een dag van tevoren leg ik altijd mijn werkkleding klaar. Die vreselijk truttige stukken stof aan mijn lijf. Elke dag jeukende make-up op mijn gezicht. Een bos haar die ik nooit onder controle krijg. Recent had ik het in een keer kort laten knippen. Alsof dat hielp. Ik sta op, zet koffie, doe de laptop aan en ga met een zucht zitten. Na de gebruikelijke drie bakken koffie en dezelfde hoeveelheid sigaretten ga ik douchen. Het water doet pijn op mijn hoofd en mijn huid.

Even is het zwart en wil ik een stukje van de film terugspoelen maar de gebeurtenis ging te snel. Ik wil uit reflex opstaan. Hoe ben ik hier op de grond beland? Opstaan gaat niet en ik schreeuw het uit. Mijn benen weigeren mee te werken. Duizend gedachten flitsen tegelijkertijd door mijn hoofd. Paniek. “Ik moet opstaan, ik moet kleding aan, ik moet mijn telefoon zien te vinden, waar is mijn telefoon, ik moet iemand bellen, ik moet liggen, waar is mijn handdoek, wat is er gebeurd, waarom kan ik niet opstaan?”

Pijnscheuten gaan door mijn lijf. Messteken. Ik ben sterk, ik ben altijd al sterk geweest. Met alle kracht waarvan ik niet weet waar ik die vandaan haal weet ik de kraan dicht te draaien, de handdoek te pakken zodat ik me kan afdrogen. Liggend op de koude douchevloer. Ik kruip naar de woonkamer en pak mijn telefoon. “Naar bed, ik moet terug naar bed, ik moet liggen, dan ga ik bellen.”

Daarna is het alsof ik in een film zit die heel snel vooruit gespoeld wordt. Ik zie een goede vriend op de rand van het bed zitten, ik hoor mijzelf mijn werk bellen dat ik vandaag niet kom, de huisarts die binnenkomt en iets verteld wat ik niet heb onthouden.

Ik heb vandaag de strijd verloren. Dat voel ik. Aan alles. Mijn lichaam heeft het overgenomen en ik ben buitenspel gezet. Ik geef me over aan het moment. Ik heb geen andere keuze meer. Dit is het. Het moment waar ik eigenlijk al zo lang op wacht. Ik had het een paar weken geleden nog gezegd tegen een collega: “Eigenlijk zou ik ziek moeten worden en dan heel lang thuisblijven.” Op dat ogenblik wist ik het nog niet. Ik wist niks. Ik was nog verdoofd, blind voor alles, met name voor mijzelf.

“Ik heb het gezegd”, denkt ik. “Ik heb het gewoon hardop geroepen en nu komt mijn ‘wens’ uit?” Zo had ik het niet bedoeld. Of toch wel?

De huisarts vertrekt. Goede vriend blijft nog even. Het gaat langs me heen. Ik ben verdwaald in mijzelf. Ik weet dat dit het einde is. Of het einde voor een nieuw begin? Dit gaat dieper. Mijn lijf geeft het na een jarenlange strijd op. Ik kan maar één ding doen. Terug naar het begin.

Het begin van 1. Hoe het heeft gevoeld, 2. hoe het werkelijk is gebeurd en 3. hoe ik denk het echt is gegaan. En ik ga schrijven, krabbels, notities, aantekeningen tijdens of direct na doktersbezoek. Zenuwpijn. Terug naar het begin, denk ik terwijl ik machteloos in bed lig. Alles begon in Brabant.

Q-columns

QenteQen

©Eigen foto 'SmartparQing'

Die verrekte ijdelheid. Van de ene kant van de daken schreeuwen dat ik chronisch ziek ben en van de andere kant veel te veel energie stoppen in het verbergen ervan en dan klagen dat mensen het ‘niet zien’. That’s me. Ergens in het afgelopen jaar is er een kwartje gevallen. Ik heb hem nog niet helemaal gevonden maar ik hoorde wel dat ‘ie viel. Het begin is er.

Te ijdel om mijn wandelstok te gebruiken, te ijdel om mijn gehandicaptenparkeerkaart te gebruiken, misschien ligt het aan het woord? Gehandicaptenparkeerkaart. Alleen bij galgje zou dit woord het goed doen, verder niet. De wandelstok en parkeerkaart zijn al geruime tijd in bezit. Zo’n twee jaar denk ik? Afgelopen week heb ik de wandelmuts voor het eerst zichtbaar gebruikt. Wat een verademing!

©Eigen foto

En nu is daar de GPP. Oftewel de gehandicaptenparkeerplaats. Toen ik een jaar geleden hier kwam wonen zag ik dat er parkeerplaats pal voor de deur is. Wat minder prettig is, is het feit dat overige mensen dat ook vinden en doorgaans de plek voor mijn deur bezet is door een ander voertuig dan de mijne. Het is een openbare parkeerplek dus moest ik mijn afweging maken. Ik had een aantal opties:

1. Niks doen, verderop parkeren wat betekend meer pijn en vermoeidheid maar wordt de ijdelheid tenminste goed bewaard.

2. Een GPP aanvragen op kenteken maar dan ziet iedereen dat er ‘iets is’. Desalniettemin, dan heb ik wel gemak, minder pijn en meer vrijheid.

Maar oh wee wat zullen de mensen denken? Er is niks aan mij te zien. Ik heb er bijna een jaar over gedaan om tot optie 2 te komen. Maar ja, ik zou ik niet zijn als er dan toch niet iets geks moest komen. Dus ik heb maar een alternatieve parkeerkaart achter mijn ruit geplaatst. Als soort van statement.

De paal staat er sinds een paar dagen en ik ben er nu een beetje aan gewent. Toen ze hem kwamen plaatsen heb ik de luxaflex dichtgedraaid en gehuild. Het voelt altijd als een stap terug. De innerlijke strijd is zo hevig. Maar eerlijk is eerlijk…dit had ik veel eerder moeten doen. Ik hoef me nu geen zorgen meer te maken als ik de straat kom inrijden, nee, ik draai mijn kleine pinguïn gewoon mijn plek op. Smartparking noemen we dat 😉

Nieuwe stappen (inclusief wandelstok) zijn genomen!

De pinguïn